Jet van Marle mag niet dansen; Schoolidyllen van Top Naeff, het oermeisjesboek

Schoolidyllen van Top Naeff is een boek dat maar weinig jongens gelezen hebben. Ten onrechte. Onlangs werd het, ter gelegenheid van het honderdjarig jubileum van uitgeverij Becht voor de zevenentwintigste maal uitgegeven. Wie nog nooit om een boek gehuild heeft moet het nu toch maar eens proberen met Schoolidyllen: “Den tweeden december stierf zij...”

Top Naeff: Schoolidyllen. Geïllustreerd door Bram Kempers. Uitg. Becht, 224 blz. Prijs ƒ 24,90

Alles wat bij een meisjesboek hoort, staat erin: taartjes eten, voorzeggen, de slappe lach, standjes, dwepen met een jonge man, een gebroken kouseband, een bal met baljurken - meisjesachtiger en vrolijker kan het niet. Daarnaast zijn er de even noodzakelijke treurige gebeurtenissen, die een hoogtepunt vinden in de ziekte en dood van Jet van Marle. Dat ene zinnetje: “Ze wist 't nu zelf - dat ze sterven ging”, zo eenvoudig en verschrikkelijk lees je het niet vaak meer. Misschien is Schoolidyllen (1900) wel een draak, misschien is het niet aldoor even goed geschreven, misschien zijn het karikaturale meisjes, misschien had de criticus J.W. Gerhard wel gelijk die in 1905 mopperde dat alle meisjesboeken gaan over “Nuffen, modepoppen, bakvischjes, wier geestelijk leven beheerscht wordt door kransjes, bals en verlovingen”, en inderdaad deugt de door hem gewraakte moraal “dat 't ideaal van het meisje was een brave, liefhebbende moeder en huisvrouw te zijn” niet, die is tuttig en vals - toch is Schoolidyllen prachtig. Het is het oermeisjesboek. Zonder Jet van Marle uit Schoolidyllen, nu ter gelegenheid van het honderdjarige bestaan van uitgeverij Becht in een nieuwe jubileumuitgave, was Joop ter Heul misschien nooit geboren en hoe veel levender en bijzonderder Joop ook is, Jet is onvergetelijk en onovertroffen, al was het alleen maar omdat ze op haar zeventiende sterft aan de tering. Dat doet Joop haar niet na en dus kan Joop moeilijk zó in het meisjesgemoed gegrift staan. Zelfs sommige jongens vergoten tranen om Jet, bekende A.J. Klei laatst in Trouw: “Een heel mooi boek vond ik, al was het een meisjesboek, en de waterlanders kwamen, toen ik aanlandde bij de zin: "Den tweeden december stierf zij...'.”

“Al was het een meisjesboek”, in die tussenzin ligt veel besloten. A.J. Klei deed daar "als knaap' iets heel onmannelijks waar hij destijds vast niet graag op betrapt had willen worden. Het meisjesboek is altijd iets aparts geweest, veel aparter dan het jongensboek. Weinig meisjes schrokken terug voor Paddeltje, Pietje Bell, Dik Trom, Fulco de Minstreel of De scheepsjongens van Bontekoe, al zijn dat allemaal boeken met jongens of mannen in de hoofdrol. Zodra een boek een vrouwelijke hoofdpersoon heeft, is het een meisjesboek en laten de jongens het ongelezen, bekrompen als ze zijn. Dat kan niet alleen komen doordat de meisjes uit de klassieke meisjesboeken te weinig diepgang hebben, veel aan school denken, verliefd worden en graag taartjes eten. Old Shatterhand is ook zo'n bijzonder karakter niet, nogal een stijve hark eigenlijk, geestelijk gesproken, met ideeën die nauwelijks verlichter genoemd kunnen worden dan die van de theedrinkende vriendinnen. Die voelen zich te goed voor de middenstand, Old Shatterhand wil, als blanke man, niet met een mooie Indiaanse trouwen. Dat is precies even bekrompen. Nee, jongens willen geen meisjesboeken omdat het meisjesboeken zijn en verder nergens om. Meisjes nemen in waarde toe door jongensboeken te lezen, jongens nemen in waarde af door meisjesboeken te lezen. Jammer, voor de jongens.

Soupeetje

Top Naeff was pas tweeëntwintig toen ze Schoolidyllen schreef, zelf nog maar net de schoolbanken ontgroeid, waar ze overigens al even weinig had uitgevoerd als Jet en haar vriendinnen. Ze kon zich dus nog goed in de bakviswereld indenken, precies als Jeanne's zusje Clélie die pas kort "voorgoed thuis' is. Zulke dingen staan er zo terloops vanzelfsprekend dat je er bijna overheen zou lezen, hoewel ze een verrassend inzicht geven in hoe anders de wereld er in 1900 uitzag. Een meisje kwam na de meisjesschool thuis tot ze een echtgenoot had gevonden. Of eigenlijk, tot een echtgenoot haar had gevonden, want initiatief kon er van dameszijde niet ontplooid worden. De enige mogelijkheid was om veel naar bals en partijen te gaan waar je bij een soupeetje met je conversatietalent en je mooiste kapsel een man voor het leven aan de haak moest zien te slaan. Gruwelijk allemaal, daar hadden de meisjesboekencritiseerders gelijk in, maar dat lag toch waarschijnlijk niet aan het meisjesboek. In Anna Karenina gaat het immers niet anders toe, Kitty Oblonski wil na een paar prettige walsen dolgraag met graaf Vronski trouwen, die op zijn beurt weer na één dans verslingerd raakt aan Anna.

Top Naeff zelf moet het in ieder geval anders aangepakt hebben, want zij trouwde pas op haar zesentwintigste en schreef voor die tijd twee meisjesboeken, Schoolidyllen en 't Veulen. Veel emancipatorische bedoelingen heeft ze er beslist niet mee gehad, maar ook niet helemaal geen. Verschillende keren worden de meisjes erop gewezen dat het geen pas geeft om zich beter te voelen dan mensen die maatschappelijk net een treetje lager staan.

Een opvoedende passage is bij voorbeeld die waarin Lien en Jeanne uit logeren gaan bij een tante en oom van de laatste, die nogal "burgerlijk' zijn en dat is heel erg. Tante is hartelijk maar spreekt enigszins plat en oom loopt in hemdsmouwen. Daardoor voelen de twee zeventienjarige meisjes zich mijlenver verheven boven hun gastheer en gastvrouw en dat uiten ze door veel te giechelen, bij elkaar te klitten en zich nuffig en afstandelijk te gedragen. Tot tante besluit om er iets van te zeggen: “Heel gemoedelijk en verstandig sprak ze met de ijdeltuitjes, plat misschien maar o zo wáár en haar: "Ik mag dan wat te ruw of onbeschaafd zijn voor 'n dame, maar zoals jelui me dat de hele week hebt laten merken, was heus ook niet erg damesachtig', deed de meisjes haar ogen verlegen neerslaan.” Natuurlijk spijt het ze dan, ze komen tot beter inzicht en gaan tante "van wie ze wel geen mooie maniertjes maar toch heel veel andere dingen konden leren' waarderen en hoog achten.

Daarmee heeft de ruimhartigheid ten aanzien van standsverschillen echter wel de uiterste grens bereikt; het spreekt vanzelf en behoeft geen correctie dat de meisjes zich ver verheven voelen boven huisknechten, kappers, fotografen, dienstmeiden of dames die in een taartjeswinkel werken.

Natuurlijk maken Jet en Maud, respectievelijk heldin nummer 1 en 2 van het boek, zich nooit schuldig aan onterechte minachting. Jet schatert zelfs wel eens met de dienstmeid en biedt een keer aan haar te helpen met het opnemen van de kleden, tot grote verontwaardigig van haar oom: “je hoeft hier niet voor meid te spelen!” De vanzelfsprekende achteloosheid tegenover personeel van allerlei soort hebben ze overigens wel, de mindere man was nu eenmaal de mindere man en Top Naeff was geen socialiste.

Schoolidyllen draagt ook nog andere deugden en waarden uit. Zo kunnen wij eruit leren dat er niets lelijkers is dan klikken, wat waar is, maar ook jokken of "knoeien', sommen overschrijven, voorzeggen en dergelijke, wordt bij herhaling afgekeurd. Vooral dat "knoeien' is merkwaardig, een medeleerling helpen bij haar schoolwerk of samen huiswerk maken wordt daar ook toe gerekend. De directrice is onvermurwbaar als ze "iets zó lelijks' merkt, maar de meisjes vinden het doodgewoon, op Jeanne na die zich altijd zo voorbeeldig gedraagt dat zij de bijnaam "het model' heeft verdiend. Jokken of smoesjes verzinnen doen ze echter nooit, dat is "flauw' en flauw zijn was toen duidelijk heel wat erger dan nu. Dus als iemand een streek heeft uitgehaald, de neuzen van de overschoenen van de directrice vol proppen met kranten zodat zij ze niet aan kan krijgen, zwart krijt slijpen boven de hoed van een heer die de school bezoekt, dan bekent zij dat onmiddellijk als ernaar gevraagd wordt en draagt de straf met een onverschillig gezicht. Dat is flink en eerlijk - belangrijke deugden, samen met eenvoud.

Fijnbesnaard

Een heldin is bovendien ook altijd fijnbesnaard, gevoeliger dan andere meisjes. Hoewel Maud van Eyghen een nieuweling is op school en dus niet van oudsher in het clubje van Jet, Jeanne, Noes en Lien hoort, dientengevolge iets minder vaak in de tekst aanwezig is, is zij toch duidelijk herkenbaar als een heldin. Ze zit nog maar net in de klas of ze draagt al heel meeslepend en gevoelvol een vers van Hélène Swarth voor en later kan ze het ook niet verdragen dat de juffrouw de leerlingen een witte lelie stuk wil laten snijden, waarbij "'t bloemenbloed' vloeit. Ze heeft dus de vereiste, wat dweperige sentimentaliteit en verder is ze fier en onafhankelijk en mooi natuurlijk. Jet van Marle is ook fier en onafhankelijk en mooi, iets minder dweperig maar heel eenvoudig en onbedorven en bovendien is ze, haar belangrijkste onderscheidende kenmerk, een wees die door een oom en tante liefdeloos wordt opgevoed. Die harteloze houding veroorzaakt haar ondeugendheid die dan weer wordt bestraft waarna ze ter compensatie maar weer nieuw kattekwaad uithaalt, "terwijl één zachte vermaning van iemand die van haar hield haar uitwerking niet gemist zou hebben'. Een heldin wordt ten diepste getroffen door onrechtvaardigheid en harteloosheid, of het nu een ander of haarzelf betreft.

Het is niet moeilijk om Jet of Maud sympathiek te vinden, integendeel, ze hebben ondanks die wat zoetelijke meisjesdeugden iets fris' en innemends. Het kan niet waar zijn, er is trouwens ook al lang niemand meer die dat gelooft, dat meisjes door zulke voorbeelden bederven en zelf ook het liefst Hélène Swarth willen lezen, snel trouwen en nooit leren. Wat van zulke boeken beklijft is de taal en de sfeer. Misschien blijven de wat tuttige zinnetjes te lang of te hardnekkig in iemands hoofd hangen, zodat je nog jaren later dingen kunt denken als "guitig keek ze van onder haar verwarde krullen naar hem op' of "en o hoe innig klonk haar stem toen ze zei' of "er ging een wonderlijke bekoring uit van het ranke figuurtje' - maar zulke zinnen kleuren de werkelijkheid soms ook aantrekkelijk bij. En het blijft bij herlezen altijd weer heerlijk om ze tegen te komen: “zonder het bijgaand kaartje te bekijken, verborg ze haar gezichtje in de bloemen”.

Onweerstaanbaar

Nog steeds kan ik Schoolidyllen niet met droge ogen lezen. Dat maakt de onweerstaanbaarheid van het boek uit - wat is heerlijker dan verdriet om papieren mensen? Het is een soort verdriet dat zich met geen andere droefenis laat vergelijken, een zwelgen in medelijden dat niet om daden vraagt, verdriet dat door geen enkele bijkomende omstandigheid bedorven of gerelativeerd wordt want er zijn geen omstandigheden, het is herhaalbaar verdriet zonder duur. Er zijn meer van die prachtige huilboeken, Alleen op de wereld bijvoorbeeld of Oliver Twist maar die hebben alletwee het grote nadeel dat ze goed aflopen, wat het verdriet lelijk vergalt. Gelukkig wordt in beide boeken flink gestorven en wie dood is blijft dood, maar de helden zijn aan het slot niet alleen levend maar zelfs plotseling rijk en gelukkig.

Wie nooit gehuild heeft om een boek is beklagenswaardig. Misschien moet zo iemand het toch nog maar eens proberen met Schoolidyllen. Eens kijken of het werkelijk mogelijk is onaangedaan te lezen over Jets bezoek aan Jeanne om de roze kreukbare baljurk van die laatste te bewonderen, terwijl Jet zelf niet naar het bal mag, wat ze zo dolgraag gewild had. “Een beetje op de achtergrond stond Jet in haar donkerblauwe jurk, dito cape en grijze muts, als een klein assepoestertje (-)” Dat kan ook ontroerend zijn als het geestelijk leven door meer beheerst wordt dan "kransjes, bals en verlovingen'. Of als je een jongen bent.