De vrouw als speurhond

De thrillerschrijver Thomas Ross heeft in Het Parool enige kritische woorden gesproken over zijn vrouwelijke collega's. Agatha Christie is een puzzelaarster, zegt hij, en Patricia Highsmith is niet in staat om een behoorlijke intrige te bedenken. Daarom vlucht zij in extremen. “Het gaat ook altijd om idioten, er komt geen normaal mens voor in haar boeken. Ik zeg niet dat vrouwen geen thrillers kunnen schrijven, maar in plots zijn ze nooit erg goed. Wel in sfeerbeschrijvingen en karaktertekeningen.”

Daar zit iets in. Niettemin, iemand (als ik) die minder hecht aan de plot dan aan sfeer en karaktertekening, heeft het merendeel der dames hartelijk lief. Oudgedienden als Josephine Tey en Dorothy Sayers, nieuwkomers als Margaret Truman en Ruth Rendell. Zij werken vrijwel exclusief met mannelijke speurders. Logisch, de misdaad is, generaliserend gesproken, een mannenzaak. Het geldt voor zowel de misdadiger als de misdaadbestrijder. De vrouw staat tussen de coulissen en draait decoratief met haar heupen. De schaarse keren dat zij actief participeert bedient zij zich van een geniepig instrument als vergif. De eerlijke oplawaai met de bijl of met de pook is voorbehouden aan het sterke geslacht. Een echte, authentieke moordenares geldt als een witte raaf en haar tegenvoetster aan gene zijde van de wet - de vrouwelijke speurder - heeft een nóg grotere zeldzaamheidswaarde. Zelfs in het oeuvre van het vooruitstrevende echtpaar Sjöwall en Wahlöo komt slechts één vrouwelijke inspecteur voor en het enige dat zij mag doen, haar strepen ten spijt, is het lokaas spelen voor de krankzinnige verkrachter.

Het lezen van een behoorlijke thriller is een superieur tijdverdrijf, dat niet aan kleur, ideologie of sekse gebonden is. Alleen de feministes onder ons kijken wat ongemakkelijk tegen het genre aan. Zie het artikel van Kathy Davis, docente vrouwenstudies, in een recente uitgave van het blad Briljantine. Zij is aan de soort verslaafd, vergelijkbaar met het vrouwelijke VVD-Kamerlid dat ooit in een vraaggesprek bekende "elke avond met een detective naar bed te gaan', een bekentenis die haar partij noopte een extra ledenvergadering uit te schrijven om de ontstane onrust te kanaliseren.

Het probleem van Kathy Davis ligt anders. Zij combineert haar passie voor detectives met een kritische kijk op de sponsgewijze whiskey zuipende, vrouwenverachtende male chauvinist pig die in dit soort boeken gemeenlijk het speurwerk verricht. “De feministische lezeres kan de boeken van schrijvers als Raymond Chandler, Dashiell Hammett, Ross Macdonald en Mickey Spillane waarderen omdat ze goed geschreven zijn, sarcastisch en vol spanning en sensatie”, constateert Kathy Davis, “maar toch is de prijs die ze voor haar plezier betaalt erg hoog.”

Vandaar dat het hedendaagse feminisme een eigen, vrouwelijk alternatief heeft ontworpen. Ook zij is een hard-boiled loner, in dit geval met een rok aan, en ook zij drinkt haar whiskey liefst litersgewijze, in haar geval in het Vrouwencafé. Haar uitgeverij heet Virago of The Women's Press - en wàt ik ervan ken, oogt helaas hoogst bedacht en is bovendien tamelijk slecht geschreven.

Het hoge woord moet er maar uit: het speurdersvak is niets voor vrouwen. Een vrouwelijke private eye, gevestigd in een morsig kantoor in Los Angeles, een Dunhill-filter in de mondhoek en een fles Drambuie in de bureaulade, dat is toch geen gezicht? De moderne speurder in een allengs verruwende samenleving kan trouwens, anders dan in de dagen van Hannah Van Doren, bijgenaamd Homocide Hannah, the Gorgeous Ghoul, niet meer volstaan met het vergrootglas en het vingerafdrukpoeder. Hij dient meer dan ooit te beschikken over een zekere vaardigheid in het boksen, het worstelen, het klauteren langs dakgoten en het leggen van zeemansknopen. Zonder de vrouwelijke medemens deze vaardigheden geheel te willen ontzeggen, haar sterkste punten zijn dit meestal niet.

En de jonge, moderne en modieuze Modeste Blaisy dan? Zij geniet onmiskenbaar een zekere populariteit, maar het valt te vermoeden dat de belangstelling van het publiek niet primair naar haar speurneus uitgaat. Zij is in de eerste plaats lustobject en pas in de laatste plaats feministe. Nee, zij draagt haar Colt 32 niet in een schouderholster. “Dat gaat niet als je borsten hebt, zoals ik”, zegt zij. “Dus draag ik een holster achterop mijn heup.”

Er is bovendien nog een praktische reden waarom de vrouwelijke detective door de jaren heen nauwelijks uit de verf is gekomen. De detectiveschrijver werkt traditioneel met de these en de antithese, de briljante speurder versus zijn oliedomme sparring partner. Geen Sherlock Holmes zonder Watson, geen Poirot zonder Hastings, geen Queen jr. zonder Queen sr. De meest voor de hand liggende antithese van de vrouwelijke speurder is de oliedomme rechercheur, inspecteur of hoofdcommissaris. Daar kan de mannelijke lezer (een belangrijk element op de afzetmarkt) natuurlijk geen genoegen mee nemen. Het is niet alleen een onaanvaardbare ondergraving van de rolpatronen, het is bovendien strijdig met het fundamentele karakter van de detectiveroman: conservatief vermaak bij uitstek voor de genotvol huiverende burger, traditioneel vermaak op niveau, zonder dat men bang hoeft te zijn om te worden lastiggevallen met sociale, structurele of intertextuele experimenten.

Graham Greene als thrillerschrijver, daar kan men zich nog wel iets bij voorstellen. Maar Vladimir Nabokov of Elfriede Jelinek? Nimmer!

Pasverschenen: de bundel "Zusters in het Kwaad - De beste misdaadverhalen van internationale topschrijfsters'. In drie van de elf verhalen komt een vrouwelijke speurder voor. Toegegeven, zowel Sharon Mccon, prive-detective, als Kinsey Millhone, prive-detective, doen het lang niet kwaad. Victoria Warshawski ("meisjesspeurster en Idiot extraordinaire', noemt zij zichzelf) is zelfs een vakvrouwe eerste klas. Met een Smith & Wesson in de aanslag trippelt zij door de sloppen van Chicago en de twee boeken die ik inmiddels van haar schepster, Sara Paretsky, heb gelezen zijn zo excellent, dat daarmee alle bovenstaande theorieën op losse schroeven zijn gezet.