De trots van Namatanai als een olympische toerist

BARCELONA, 24 JULI. Ik heb er een: mijn eigen sporter. Hij is dan wel geen Carl Lewis of Matt Biondi. Hij is zelfs geen vlaggedrager van een grote natie. Groot en sterk is hij ook al niet.

Maar ik mag al blij zijn dat ik nog een sporter heb gevonden. De verhouding was al bij voorbaat penibel. Ruim 10.000 sporters zouden er aan de Spelen in Barcelona meedoen. Ruim 11.000 vertegenwoordigers van de pers zouden hun verrichtingen komen verslaan. Dat betekende dus al dat niet iedere journalist over een eigen sporter zou kunnen beschikken.

En deze koers van 10 op 11 is de laatste weken nog sterker gekelderd dan die van de dollar of het aandeel-Philips. Terwijl het organisatiecomite krampachtig vasthield aan het maximumaantal van 10.300 atleten, bleef het aantal toegelaten mediavertegenwoordigers maar uitdijen als een sprinkhanenplaag. Volgens de laatste telling zijn het er 14.200: 9.100 van radio en tv plus 5.100 van de schrijvende pers. Morgen zal de zwerm weer groter zijn.

Subul Babo heet mijn sporter. En hij draagt het mooiste trainingspak van het hele olympisch dorp: in rood en zwart en geel. Met een fiere paradijsvogel op zijn borst. In ruil voor twee muziekcassettes van Queen en Madonna heeft hij een exclusieve interviewovereenkomst met mij gesloten. De verslaggevers van de Post Courier en The Times en Weekend Sport, de enige drie bladen van zijn land, zijn er toch niet bij gebrek aan geld.

Niemand in Europa kent hem. Niemand vraagt ook zijn handtekening als hij het olympisch dorp uitloopt. Maar in Papua New Guinea is hij “heel erg beroemd”, zegt hij met verontschuldigende glimlach terwijl hij zijn zachte stem geen seconde verheft. Als hij door de straten van de hoofdstad Port Moresby slentert, stoten de mensen elkaar aan en wijzen hem na.

Op het eiland waar hij is geboren, vonden ze het eerst maar vreemd dat hij was gaan sprinten. Zolang ze zich konden heugen, en dat was toch vele generaties, had niemand op Namatanai het ooit in zijn hoofd gehaald om op topsnelheid te rennen, zelfs niet in noodsituaties. Daar was het toch veel te warm voor en te vochtig. Dat paste ook niet bij het vredige levensritme van Namatanai. Als ze al renden, dan was het bij een spelletje voetbal of rugby, de nationale sporten van Papua New Guinea. Maar nooit erg hard.

Zelf zou Subul Babo er ook nooit over hebben gepeinsd om atletiek te bedrijven als een coach van de school in Australie waar hij maritieme technologie studeerde, hem niet met veel aandrang had overgehaald. Dat was drie jaar geleden. Hij was toen 23 jaar. Inmiddels is hij de snelste 400 meter-loper van Papua New Guinea. De trots van Namatanai.

Zijn persoonlijk record ligt met 46,77 bijna 3,5 seconde boven het wereldrecord van Butch Reynolds. Maar Subul Babo vindt die vergelijking oneerlijk. Want hij heeft veel kortere beentjes en veel zwakkere armen dan de favorieten. Hij is maar 1.60 meter groot. En in Port Moresby weten ze niks van moderne trainingsschema's. Zijn atletiekclub telt maar dertig leden.

Zijn grootste handicap tegenover de favorieten is dat hij in eigen land zo weinig concurrentie heeft, vindt Babo. “Het is moeilijk je te blijven verbeteren als je steeds de beste bent.” Internationale wedstrijden zouden voor nieuwe prikkels kunnen zorgen. Maar voor buitenlandse reisjes is bijna nooit geld.

De Olympische Spelen zijn eigenlijk het eerste grote internationale evenement waaraan Babo kan meedoen. Want de South Pacific Games, de onderlinge wedstrijden van een stel oceaaneilanden, wil hij niet meetellen. Dat toernooi werd gehouden in Port Moresby. En hij laat ook de Australische kampioenschappen buiten beschouwing, waarbij hij zesde werd.

Zijn hoofddoel in Barcelona is het verbeteren van zijn persoonlijk record. Maar zelfs als dat hem lukt, zal hij waarschijnlijk niet verder komen dan de eerste serie. Met zijn beste tijd hoort hij tot de categorie van "olympische toeristen', zoals de president van het Internationale Olympisch Comite, Juan Antonio Samaranch, hen noemt: de atleten die niet aan de limieten van de internationale atletiekfederatie hebben voldaan maar mogen meedoen omdat elk land bij atletiek nu eenmaal het recht heeft per onderdeel een sporter in te schrijven. Een categorie waarvoor volgens Samaranch in de toekomst geen plaats meer is.

Babo's brede neusvleugels beginnen te trillen als hij van dat dreigend onrecht hoort. Het dieprode litteken boven zijn linker wenkbrouw van een val van het dak kleurt donkerpaars. De blauwe tatoeage op zijn rechterwang lijkt te zwellen. “Dat zou oneerlijk zijn”, zegt hij zacht. “Hoe kunnen we ooit goed genoeg worden, als we niet meer mogen meedoen.”

Alleen al zijn deelname aan de Olympische Spelen heeft een stimulerende invloed op de atletiek in zijn land, weet Babo. Vorige maand heeft zijn atletiekclub nog zes nieuwe leden gekregen. En als de jongeren over de radio horen dat hij in Barcelona goed heeft gelopen, verwacht hij nog veel meer aanmeldingen.

Daarbij wenst hij niet "een olympisch toerist' te worden genoemd. Want hij traint ook zes dagen in de week, net als de favorieten. Alsof hij voor zijn lol naar Barcelona gekomen is. Daarvoor vindt hij het in de Catalaanse hoofdstad veel te vol en veel te druk.

Onvoorstelbaar is in zijn ogen dat de Olympische Spelen 1,9 miljoen bezoekers trekken, de helft van het inwonertal van Papua New Guinea. Net zoals hij “verbijsterd” was, toen hij in het olympisch dorp arriveerde, waar 16.000 sporters en officials leven, vier keer zoveel mensen als op Namatanai. Geen wonder dat hij nog geen enkele beroemde sporter had kunnen ontdekken. Terwijl hij zich daarop juist had verheugd.

Hij had 400 meter-lopers als Steve Lewis en Danny Everett zo graag willen vragen hoe zij er toch in slagen de laatste 100 meter net zo snel te lopen als de eerste 100. Daar zou hij alles over willen leren. Hoe hij ook traint, in Papua New Guinea is hem dat nog nooit gelukt.