Amsterdam CS

Ik heb aantekeningen over een vrouw van vijfentwintig. Makkelijk zwart jurkje.

Ze zat buiten de overkapping en hield zoveel mogelijk van zichzelf in de zon. Een rieten tas met badhanddoek, krant en nog wat - ze keek me aan en nam die tas in haar armen. Fijne armen. En over een vrouw van veertig. Verdorde bloemen op haar bloes. Ze stond dicht aan de rand van het perron. Ze stak een vinger achter haar zonnebril om haar ogen uit te wrijven. Zou ze huilen, noteerde ik. En over een vrouw van tegen de tachtig. En over een man die me aan een Spaanse film deed denken: man met geld en connecties, zonder geweten. Hij had een flodderig paars pak aan. Geen sokken, wel een hoed en twee vrouwen die zijn dochter hadden kunnen zijn. En over een paar jongens uit Japan, zwaar gebukt onder het besef van hun rugzakken. Excuse me, excuse me sir, excuse me please. En over een huismus. Hij inspecteerde de neus van een zojuist tot stilstand gekomen trein. Maakte zich groot, maakte zich klein, rukje naar links, rukje naar rechts, zoals mussen dat doen. Zoekt dode insecten, noteerde ik. Slim! Maar niet slim genoeg om door te hebben dat je dan aan de voorkant moet zijn. En misschien zou hij zelfs dat begrijpen, als die trein niet aan beide kanten een kop had gehad. Vergeefse moeite. Maar hij wipte monter tussen de rails en ving een kruimel brood.