"Toch is het in de lucht nog altijd veiliger dan op de weg'; Steeds meer vliegers, ballonvaarders en parachutespringers

TERLET, 23 JULI. Toeval, pech, een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Professionals in de Nederlandse recreatieve luchtvaart hebben het dezer dagen weer druk met bezweren dat het in de lucht nog steeds een stuk veiliger is dan op de weg. Het afgelopen weekeinde verloren twee Nederlanders het leven tijdens een ballonvaart in Duitsland en één verongelukte er met een zweefvliegtuig.

Een sluitende, recent bijgewerkte en overzichtelijke registratie van alle ongevallen die zich voordoen in de recreatieve luchtvaart (ballonvaren, zweef- en sportvliegen en parachutespringen) bestaat niet, noch bij het CBS, noch bij de Koninklijke Nederlandse Vereniging van Luchtvaart of de Rijksluchtvaartdienst (RLD). Het CBS weet alleen te melden dat in 1989 en 1990 elk jaar 5 doden vielen in de Nederlandse luchtvaart. De RLD meldt over 1990 en 1991 respectievelijk 43 en 30 ongelukken met zweefvliegtuigjes, waaronder een met dodelijke afloop. Niet-dodelijke ongevallen met parachutespringers, ballonnen en Ultra Licht Vliegtuigen worden nergens bijgehouden.

Wel blijkt uit de statistieken een toenemende belangstelling in de laatste jaren voor sporten als parachutespringen, ballonvaren en vliegen met zweef- en motorvliegtuigjes. Bij de Koninklijke Nederlandse Vereniging van Luchtvaart (KNVVL) zijn momenteel 15.000 leden aangesloten, onder wie 4.000 modelvliegsporters, 4.000 zweefvliegers, 2.000 parachutisten en 500 sportvliegers. Het aantal zweefvliegtuigen in Nederland is sinds 1980 met meer dan een kwart gestegen en ligt nu ver boven de 500: de ballonvaart heeft een ware "boom' doorgemaakt (er waren in 1980 achttien ballonnen, nu 120) en het aantal mensen dat op incidentele basis een parachutesprong maakt, loopt inmiddels in de tienduizenden.

Afgelopen weekeinde verongelukte een zestigjarige man uit Dieren toen hij met zijn toestel tegen dat van een andere zweefvlieger botste. Eén ongeluk op 25.000 starts per jaar in Terlet alleen is volgens Van H. Loosbroek, directeur van het Nationale Zweefvliegcentrum, het bewijs voor de veiligheid van de sport. De oorzaak van het ongeluk is nog niet officieel bekend, maar Van Loosbroek wijt het aan “een ongelukkige samenloop van omstandigheden”. Dat vliegers slecht voorbereid de lucht in gaan, bestrijdt hij. “Er worden zware eisen gesteld.”

Hetzelfde geldt voor ballonvaarders, zegt Van Loosbroek. Hij is zelf naast zweef- en sportvlieger ook ballonvaarder en examinator voor de ballonvaart.

Nederland kent zo'n zeventig geregistreerde ballonvaarders. De discipline heeft de laatste jaren veel aan belangstelling gewonnen en sponsors hebben de ballonvaarders in staat gesteld de luchtvloot op het respectabele aantal van 120 ballonnen te brengen. “Een ballon kost 80.000 gulden en daar doe je maar vijf jaar mee.”

In 1990 viel in Nederland één dode bij een ballonvaart, vorig jaar bleef de sport van zo'n ongeval verschoond. Het ongeluk in Duitsland is volgens Van Loosbroek een zeldzaamheid. De meeste ballonnen zijn gevuld met hete lucht, de dit weekeinde verongelukte was een waterstofballon. Hij kwam tegen een hoogspanningsmast en explodeerde. “Als je met zo'n ballon in de lucht hangt is er niets aan de hand. Maar een vonkje en het is een bom.”

Op het Paracentrum Texel kan men de aanloop van cursisten eenvoudig niet aan, laat adjunct-directeur S. Woerlee weten. “We kunnen niet aan de vraag voldoen.” Op het centrum, het grootste in Nederland, zijn nu al anderhalf maal zoveel sprongen gemaakt als vorig jaar in dezelfde periode. Men denkt dit jaar met 30.000 sprongen af te sluiten, wat overeenkomt met ongeveer 7.500 cursisten. De trend is enkele jaren geleden al ingezet. “De mensen hebben geld te besteden en willen wel eens een avontuurlijke vakantie,” oordeelt Woerlee. Een cursus voor acht sprongen kost zo'n 1.000 gulden.

Woerlee: “In '87 hadden we in Nederland drie dodelijke ongevallen met parachutesprongen. Dat hebben we gemerkt aan de belangstelling.” De ongelukken waren te wijten parachutes die niet opengingen. “In 95 procent van de gevallen gaat het om menselijke fouten,” zegt Woerlee. “Er komen hier mensen tussen 6 en 86. Dat zijn geen militairen die allemaal stevig op hun benen staan. We hebben hier kinderen, dikke bakkersvrouwen en bouwvakkers.”

Door ongelukken als dit weekeinde laten de profs in de recreatieve luchtvaart zich niet afschrikken, zegt Van Loosbroek. Het was immers niet meer dan puur toeval.