Sirene

Ik buig mij over de tekening van een kastje dat in elkaar gezet moet worden en herinner me dat op de Schuttersbergweg een motorrijder uit de bocht was gevlogen. De straat was daar op z'n steilst. De man lag op de stoep, met zijn hoofd tegen een stenen trapje. Op een drafje ging ik naar huis om te vertellen wat er gebeurd was en dat die man zijn hersenen aan zijn gezicht kleefden.

“Nou”, zei mijn vader, “dan is-ie dood.”

Ik denk dat ik dit onthouden heb vanwege de rustige, constaterende, deskundige toon, waarop mijn vader dat zei. Dit had met zijn vak te maken, hij was beroepsmilitair.

Ik herinner mij ook zijn glimlachje, alsof het een beetje gênant was van dergelijke dingen verstand te hebben, en een wat ongemakkelijke zijdelingse blik op mijn moeder, alsof hij zich afvroeg of het wel in orde was de dood te noemen in het bijzijn van de kinderen.

Ik buig mij over de tekening van een kastje dat in onderdelen om mij heen ligt. Het gordijn bolt op bij het open raam en laat het geluid binnen van een verre sirene. De jongens, gaat het dan onwillekeurig door je heen. Maar de ene zit op Texel en de andere, het is pas halftwaalf, de andere ligt nog op bed.

Het kastje. Deurtje zus, dan schroefje hier. Het zal wel braaksel zijn geweest, dat slak-achtige spul in het gezicht van die motorrijder.