Schouwburg

In de lente van het jaar 1658, om precies te zijn in de avond van 21 mei, verzamelen zich goed geklede Amsterdammers in de loges en in de zaal parterre (waar alleen maar staanplaatsen zijn) in de oude stadsschouwburg. Op het programma staat deze keer de Eunuchus van Terentius, gespeeld door de leerlingen van de Latijnse school, daartoe geoefend door de rector, de vermaarde Dr. Franciscus van den Enden.

Het jaar ervoor had hij op dezelfde plaats furore gemaakt met de opvoering van Philedonius of Lusthart, een door hemzelf geschreven stuk, waarin de zoon van de burgemeester zo glansrijk de hoofdrol had vertolkt, en verder met de tweevoudige opvoering van de gedurfde komedie, de Andria van Terentius, alles in het Latijn. De vertoningen hadden een geweldige pers gehad, alleen de predikanten hadden bij de stedelijke overheid geprotesteerd tegen dit wereldse gedoe, zo schadelijk voor de ziel. Dit keer wilde niemand zich een plaatsje laten ontgaan.

De jonge man Phaedria, hevig verliefd op Thais, verschijnt in een schitterende uitdossing op het toneel, vergezeld van zijn slaaf Parmeno, die van middelbare leeftijd is. Phaedria: ""Wat moet ik nu in Godsnaam doen? Ik kan toch niet weigeren om te gaan, nu zij mij er zelf om vraagt, nietwaar? Of kan ik beter stampij maken tegen de beledigingen van zulke publieken vrouwen (meretricum). Eerst smijt ze de deur voor me dicht: nou doet ze 'm weer open. Zal ik teruggaan? Neen, zelfs niet wanneer ze me erom smeekt.''

Parmeno: ""Natuurlijk, meneer, als u dat kunt, 't is de beste en sterkste manier. Maar als u zo begint en het niet kunt uithouden, en dan naar haar terugholt, ongevraagd en zonder afspraken terwijl u laat zien dat u verliefd bent en het niet langer kunt verdragen - dan is het onmiddellijk gedaan met alles en bent u totaal verloren. Dat is uw ondergang. Zij zal u voor de gek houden, zodra zij merkt dat zij u in haar greep heeft. Daarom meneer, denk na en denk nog eens na, nu het er de tijd voor is. Dingen die op zichzelf geheel onverstaandig zijn en geen enkele matiging toelaten, kunt je met geen enkele rede beheersen. Beledigingen, verdachtmakingen, vijandigheden, wapenstilstand, oorlog, dan weer vrede, al deze gebreken maken deel uit van de liefde. En als je er op uit bent om deze onzekerheden verstandelijk zeker te maken is dat hetzelfde als wanneer u zich moeite zou geven om verstandig te verdwazen. Kwaad denkt u nu bij uzelf: "Ik zal haar! Zij ...met hem..., zij die mij, wat al niet... Buiten elke proportie! Ik wil liever sterven. Zij zal ondervinden wie ik ben'. Maar geloof me, zij heeft slechts één vals traantje nodig, dat zij met moeite uit haar gewreven ogen kan persen, om al die hete woorden onschadelijk te maken. Dan zal zij weer haar achterste naar u toekeren en u opnieuw afstraffen.''

Phaedria: ""Afschuwelijk. Eindelijk zie ik haar misdadigheid en mijn erbarmelijke toestand. Ik word verteerd van liefde en ben er ziek van. In volle bewustheid ga ik mijn ondergang tegemoet. Maar ik weet niet wat ik moet doen.''

Parmeno: ""Doen? Koop uw vrijheid zo voordelig mogelijk. En als u die niet goedkoop kunt krijgen, betaal dan wat u kunt. En kwel uzelf niet tot de dood toe... (even later terzijde) Mijn hemel, wat is dat toch een ziekte, als een mens door verliefdheid zo veranderd wordt, dat je nauwelijks nog kunt geloven dat hij dezelfde is.''

De Parmeno die deze wijze woorden met krachtige en heldere stem op de planken ten gehore brengt, is Spinoza, een van de oudste leerlingen bij Van den Enden, 25 jaar. Waarschijnlijk is hij zelf reeds medewerker in het onderwijsproces, met name voor het geven van lessen Hebreeuws. De rol die hem is toebedacht, is een fantastische rol, een rol waarin de grote dichter Terentius zijn kennis van de menselijke passies subliem heeft uitgedrukt. Parmeno mag het publiek instrueren over de werking van de hartstochten, hoe zij de mens heen en weer schudden of uiteenrukken, hoe weinig er maar nodig is om de balans van het menselijk gemoed te verstoren en iemand naar de ondergang te drijven.

Filologisch onderzoek heeft laten zien dat onnoemelijk veel wendingen en ideeën van Terentius hun weg hebben gevonden naar Spinoza's Latijnse teksten. Het bestuderen en spelen van Terentius' comedies heeft niet alleen Spinoza's Latijn in belangrijke mate verrijkt, het heeft ook zijn antropoligie, in het bijzonder zijn leer van de menselijke aandoeningen, in sterke mate gevormd.

Zelfs in de geometrische systematiek van zijn Ethica kan men ontdekken dat de wereld van zijn verbeelding nog beheerst wordt door de scenes waaraan hij zelf in het theater deelnam. Propositie 35 van Ethica III zegt: ""Als iemand zich verbeeldt dat de geliefde zaak met dezelfde of een nauwere band van vriendschap, als die hij alleen genoot, zich aan een ander bindt, zal hij haatgevoelens gaan koesteren tegen die geliefde zaak en haar een ander benijden''.

Bij deze stelling staat de volgende opmerking: ""Deze haat jegens de geliefde zaak die verbonden is met afgunst, wordt naijver genoemd en is niets anders dan een fluctuatie van de ziel, ontstaan uit liefde en haat tezamen, begeleid door de idee van een ander die benijd wordt. Men wordt gedwongen het beeld van de geliefde zaak te verbinden met het beeld van de zaak die men haat, welke relatie meestal aanwezig is bij verliefdheid op een vrouw. Wie zich immers verbeeldt dat de vrouw, die hij lief heeft, zich prostitueert aan een ander, zal niet alleen droef gestemd worden omdat zijn begeerte gefrustreerd wordt, maar zal ook afkerig van haar worden omdat hij genoodzaakt is het beeld van de geliefde zaak te verbinden met de schaamdelen en uitwerpselen van een ander. Daarbij komt ook nog, dat de naijverige door de geliefde niet met hetzelfde gezicht ontvangen wordt als waarmee dat eerder pleegde te geschieden, hetgeen nog meer droefheid in de minnaar veroorzaakt, zoals ik zal aantonen.''

Voorwaar, wijze woorden! Maar de pen van de filosoof wordt nog geleid door de herinneringen aan de "fabula amatoria', welks beelden destijds in het geheugen van de jonge toneelspeler werden opgeslagen.