Plan IJ-oevers te snel afgewezen

Nog voor het plan van architect Rem Koolhaas voor de ontwikkeling van de Amsterdamse IJ-oevers inhoudelijk is beoordeeld, hebben de talloze stedebouwkundige adviseurs van de gemeente het al van tafel geveegd. Opnieuw dreigt de planvorming in een vroegtijdig stadium te stagneren.

Een serieuze visie van de hoofdstedelijke politiek en ambtenarij op de betekenis van het IJ-oeverproject ontbreekt. Confrontatie met de aanvankelijke uitgangspunten vindt niet plaats. Inzicht in het functioneren van de particuliere partner, de Internationale Nederlanden Groep, schiet tekort. Enthousiasme en toewijding zijn helemaal ver te zoeken, voor een project dat van enorme betekenis voor de binnenstad kan zijn. Verrassend genoeg is nog het meest te verwachten van een soort monsterverbond tussen de rijksoverheid en de particuliere belegger.

Begin jaren tachtig zijn de eerste ideeën voor de ontwikkeling van de IJ-oevers geopperd. Aan de ideevorming lagen en liggen nog altijd twee zaken ten grondslag: ten eerste het voortgaande functieverlies van de binnenstad, waar in vijftien jaar tijd zo'n 70.000 kantoorbanen zijn verdwenen. In brede kring erkent men het belang van een multifunctionele, levendige binnenstad, waar ook kantoorgebruikers deel van uitmaken en een bijdrage aan leveren.

Maar de verarming van de binnenstad zet nog steeds door: recentelijk hebben onder meer TRN, Nauta Dutilh, BP, ABN-AMRO, de binnenstad gedeeltelijk verlaten of aangekondigd dit op korte termijn te zullen doen. Ruimtegebrek, bereikbaarheids- en parkeerproblemen nopen tot vertrek, ondanks de ambiance (ook dat is een vestigingsplaatsfactor) van de binnenstad. Zelfs typische binnenstadsgebruikers als de zakelijke en financiële dienstverlening, de mediasector en de reclamewereld verlaten de binnenstad. De Amsterdamse regio wordt, ondanks veelbelovende aanzetten in Amsterdam-Zuid, onderhand getypeerd door een overmaat aan middelmatige kantoorlocaties. Stuk voor stuk niet in staat de vergelijking met hoogwaardige buitenlandse locaties in internationaal georiënteerde, middelgrote steden aan te gaan. Een hoogwaardige, internationaal getinte kantorenlocatie aan de IJ-oevers zou niet alleen goed zijn voor de binnenstad, maar ook voorzien in een leemte: zo'n locatie bestaat nog niet in Nederland.

Een tweede stimulans die de ontwikkeling van de IJ-oevers zou moeten bieden, is gelegen in de onbenutte en armoedige terreinen langs het IJ. Met de verplaatsing van de havenactiviteiten van het oostelijk naar het westelijk havengebied verloren pakhuizen, overslag- en rangeerterreinen en scheepsbouwfaciliteiten hun betekenis. Het besef brak door dat er iets te doen moet zijn met deze omvangrijke, centraal gelegen gebieden in een stad met ruimtenood. Met de ontwikkeling van de IJ-oevers zou de traditionele relatie van de stad met het water weer in ere worden hersteld.

Onder druk van het rijk is vorig jaar de Amsterdam Waterfront Financieringsmaatschappij (AWF) opgericht, een uniek samenwerkingsverband tussen de Internationale Nederlanden Groep en de gemeente Amsterdam. Het belang van het rijk vloeide voort uit de Vierde Nota voor de Ruimtelijke Ordening. Daarin staat dat ontwikkeling van stationslocaties moet worden bevorderd om mensen uit te nodigen met de trein naar hun werk te komen. Daarmee is een derde argument voor ontwikkeling geformuleerd.

Het rijk heeft bovendien een aantal "sleutelprojecten' aangewezen waar getracht zou moeten worden hoogwaardige vestigingsmilieus te creëren, zoals het Utrecht City project, Den Haag Nieuw Centrum, de Rotterdamse Kop van Zuid en de IJ-oevers. Het rijk stelt toekenning van subsidiegelden echter afhankelijk van voortgang in de projectontwikkeling, iets waarvan in Amsterdam geen sprake was. Maar de oprichting van de AWF vormde een veelbelovende aanzet en het wachten was op het ondernemingsplan.

De opdracht voor de AWF kwam neer op het verenigen van de twee doelstellingen, waarbij multifunctionaliteit voorop diende te staan en hoogbouw zou moeten worden vermeden. Het is de vraag of het plan-Koolhaas voldoet aan deze uitgangspunten. Koolhaas legt de nadruk op drie gebieden: het stationseiland, het Westerdokseiland en het PTT-eiland. Op eerstgenoemd eiland is achter de kappen van het CS een multifunctioneel complex gedacht met ruimte voor de centrale bibliotheek, een centrum voor moderne muziek, een theater, congresfaciliteiten, en een bioscoop, plus ondersteunende horeca-voorzieningen en winkels.

Het Westerdokseiland is gereserveerd voor luxe-appartementen en kantoren aan de IJ-oevers en wellicht een hotel. Concentratie van kantooractiviteiten vindt plaats op het PTT-eiland. Aan beide zijden van het station is ruimte voor grote cruise-schepen, een door Amsterdam wat vergeten groeimarkt. Algehele verbetering van weg- en railinfrastructuur is een basisvoorwaarde, waarover geen onenigheid bestaat.

Het plan-Koolhaas kan leiden tot een sterke opleving van de binnenstad: de beoogde kwaliteiten van het PTT-eiland zijn in de Nederlandse context uniek te noemen. Een concentratie van kantooractiviteiten met de binnenstad binnen handbereik, naast het drukste station van Nederland, over de weg ontsloten, en gelegen aan het water is voor veel kantoorgebruikers uiterst aantrekkelijk.

De uitvoering zal zeker 15 jaar in beslag nemen, zodat in de praktijk de stad naar het water toe zal groeien. De publieksfuncties krijgen een plaats aan het water achter het CS, waarmee de oriëntatie van de stedeling zich zal uitstrekken tot het IJ. De meest aantrekkelijke plek van het IJ-oeverproject is daarmee gereserveerd voor economisch gezien zwakke functies. De bouwhoogten, een in de discussie ogenschijnlijk centraal punt, bedragen maximaal zestig meter, aanmerkelijk onder de in het verleden geformuleerde 75 meter.

Aan doelstellingen en randvoorwaarden van het project lijkt in hoofdlijnen te zijn voldaan. In de eerste gemeentelijke reacties speelt dit echter geen enkele rol. De kritiek beperkt zich, geheel in lijn met de gebruikelijke gemeentelijke benadering, tot stedebouwkundige en architectonische elementen.

Het is opmerkelijk dat de gemeente al tien jaar lang geen enkele diepgaande studie heeft verricht naar de economische potenties van het project. Al met al een bizarre start van het onderhandelingsspel tussen ING, rijk en gemeente.

De gemeente lijkt zich blind te staren op het risico een gigantisch Fremdkörper aan het IJ te helpen verrijzen. Het zou te groot, te hoog en te veel worden.

De risico's voor de stad van het niet doorgaan van het IJ-oeverproject raken intussen volledig op de achtergrond. De aandacht voor de vorm overschaduwt de aandacht voor de voordelen van het project en de particuliere partner, zonder wie het project geen doorgang zal vinden.

De risico's voor de Internationale Nederlanden Groep zijn nauwelijks in de discussie betrokken. Het gaat daarbij primair om het economisch risico: In hoeverre biedt de positie van de IJ-oevers in de toekomstige kantorenmarkt uitzicht op voldoende revenuen.

De gemeente lijkt zich te vereenzelvigen met de kleinschaligheidsgedachte en de potenties van de stad daaraan op te offeren. Het IJ-oeverproject kenmerkt zich door enorme potenties, maar evenzeer door enorme risico's. Het is niet verwonderlijk dat de gemeente maar één belegger bereid heeft gevonden mee te denken over de kans van slagen. Een belegger voor wie talloze alternatieve beleggingsmogelijkheden bestaan. Het lijkt erop dat de gemeente deze cruciale partner willens en wetens van zich aan het vervreemden is.