"Klokken-Peter' haalde 6700 klokken op

Op 23 juli 1942, vandaag vijftig jaar geleden, vaardigde de Duitse rijkscommissaris Seyss-Inquart de zogeheten tweede metaalverordening uit, ook wel de klokkenverorde- ning genoemd. Op grond daarvan werden 6700 Nederlandse klokken uit de torens gehaald. Het Nationaal Beiaardmuseum in het Brabantse Asten wijdt er een tentoonstelling aan die tot en met 29 juli is te zien.

ASTEN, 23 JULI. De Limburgse aannemer P.J. Meulenberg haalde op 22 september 1942 de eerste klok naar beneden, uit de toren van de roomskatholieke kerk van Hoensbroek. Van enige tegenstand bij de bevolking was niks te merken. Dus trok Meulenberg, al gauw "Klokken-Peter' genoemd, het hele land door. Door zijn toedoen werden tussen september 1942 en oktober 1943 6700 kerk- en beiaardklokken verwijderd, waarvan er door de Duitsers 4660, met een gezamenlijk gewicht van 1918 ton, werden omgesmolten tot wapentuig.

“Glocken kämpfen mit für ein neues Europa”, stond op de klok die de NSB'er Meulenberg later als blijk van erkentelijkheid kreeg en die (tijdelijk) is te zien in het Nationaal Beiaardmuseum in Asten.

"Wie met klokken schiet, wint de oorlog niet' heet de tentoonstelling die is gewijd aan de gevolgen van de klokkenverordening (officieel de tweede metaalverordening) van 23 juli 1942. De spreuk werd aangetroffen op een klok die het verzet in Epe aanvankelijk aan de roof had weten te onttrekken. De Duitse bezetter had vooral tin en koper nodig om de Duitse oorlogsindustrie van grondstoffen te voorzien. Al in eerdere oorlogen waren klokken geroofd om wapentuig te maken. De eerste metaalverordening van 1941, waarbij vooral klein koper- en tinwerk in beslag was genomen, had onvoldoende opgeleverd: slechts 3.000 ton, onder meer omdat de Nederlanders hun spullen in de grond verstopten. Men was van 8.000 ton uitgegaan.

De Duitsers maakten bij het roven gebruik van een in 1937 door het Rijksbureau voor de Monumentenzorg opgestelde lijst van klokken, die in tijden van oorlog door het Nederlandse ministerie van oorlog konden worden opgeëist. In de door dr. W. van der Elst in maart 1940 gemaakte inventaris kwamen 9.000 klokken voor, met een gezamenlijk gewicht van 3.450 ton aan klokkenbrons. De klokken die gespaard moesten worden, dateerden alle van voor 1600. Ze werden gemerkt met de letter M van Monument en het sjabloon, waarmee de M op de klokken werd geschilderd is op de tentoonstelling in Asten ook te zien.

Het areaal werd bij de klokkenroof van '42-'43 uitgebreid. Die roof ging niet altijd even zachtzinnig. Op sommige plaatsen werden de klokken, zoals in Maastricht het geval was met de klok van de Onze Lieve Vrouwebasiliek, zo maar vanuit de toren naar beneden gegooid.

De buitgemaakte klokken werden in een aantal plaatsen in Nederland verzameld en vandaar gingen ze naar de centrale verzamelplaats in Hamburg.

Niet alle klokken werden omgesmolten. Dat gold onder meer voor de in de pandtuin van de Sint Servaaskerk in Maastricht door de gebroeders Willem en Jaspar Moer gegoten klok uit 1515, die in de volksmond Grameer (van het Franse grand-mère) werd genoemd. Hoewel Grameer voorzien was van de letter M, wilden de Duitser de 6.000 kilo zware klok toch hebben, maar waarschijnlijk werd ze gespaard omdat er een barst in zat. Als remplaçant werd de klok van de kathedrale kerk van Roermond gekozen, de zogenoemde Mariaklok, die in 1893 was vervaardigd door Petit en Edelbrock. Juist doordat deze klok was gevorderd en uit de toren was gehaald, ontkwam ze aan vernietiging toen de Roermondse kerk in 1944 werd gebombardeerd. De Mariaklok werd na de bevrijding ongeschonden teruggevonden in de opslagplaats in Tilburg.

Van veel verzet van de kant van de Nederlanders is niet veel gebleken, maar toch werd de klokkenroof beschouwd als een extreme vorm van barbarij, waarover het toen illegale blad Vrij Nederland de staf brak. De Duitsers verdedigden de roof door erop te wijzen dat ze werden ingezet in de strijd tegen het bolsjewisme. In haar dagboek roert Anne Frank aan hoe vervelend het was dat de klokken uit de Westertoren waren verdwenen: “We zijn sinds een week allemaal een beetje met de tijd in de war.”

Na de oorlog werd een aantal klokken in de centrale opslagplaats in Hamburg teruggevonden. Ze werden vaak feestelijk in de Nederlandse torens teruggehangen. Dat gold onder meer de Wageningse klok Michiel, die weer een plaats kreeg in de gemeentetoren. Dat was voor A. Roland Holst aanleiding een gedicht te schrijven waarbij hij de klok sprekend opvoert: “Welhaast vond ik den dood in 't hol van d'ergste draak, die ooit nog uit de hel ter wereld was geboren, doch levend weergekeerd, gered door Hemel's wraak, roep ik voortaan God's lof uit Wagening's toren.”