"Ik ging bij Fromm niet op de divan, we praatten alleen maar'; "De jonge studenten van nu streven ernaar niet te zijn als de anderen, dat vinden ze heel belangrijk, maar ze zijn wel net zo als dat kleine kringetje van leeftijdgenoten.'

Lang voordat cultuurcritici in Amerika klaagden over narcisme en egocentrisme onder de mensen werd er veel kwaad gesproken over een andere sociale kwaal: conformisme. In de jaren '40 en '50 werden boeken geschreven als The organization Man, door Wiliam H. Whyte, en Fear of Freedom door Erich Fromm.

Volgens Whyte stond de Amerikaanse persoonlijkheid op het punt geheel gevormd te worden door de nivellerende cultuur van de nieuwe grote (bedrijfs)organisaties; Fromm sprak van de opkomst van de "market-oriented personality'. De thema's van sociologen in die tijd van snel toenemende welvaart waren vervreemding, depersonalisatie van het individu, atomisering van de massamaatschappij.

In 1950 verscheen het op deze tijdgeest toegesneden The Lonely Crowd. A study of the changing american character van David Riesman. Dit werd het vermoedelijk best verkochte sociologieboek aller tijden - meer dan een miljoen exemplaren. Het is nog steeds in druk en wordt nog altijd gelezen.

Riant bejaardentehuis

Riesman woont nu sinds enkele jaren in een vriendelijk en riant bejaardenhuis even buiten Boston. Van daaruit dicteert hij zijn secretaresse op Harvard zijn brieven en ontvangt hij jonge geleerden en journalisten die de - vaak vermanende - woorden van de Harvardprofessor emeritus met respect noteren. In de sobere kamers die hij samen met zijn vrouw bewoont offreert deze Amerikaanse patriciër een kopje thee, en zegt: "Ik vatte toen in de jaren veertig zo veel dingen luchthartig op. Ik dacht het probleem van de industrialisatie was opgelost, dat de welvaart nooit meer zou verdwijnen. Ik zag het raciale aspect niet. Ik richtte me op wat ik dacht dat de overgebleven problemen waren - bijvoorbeeld de ontplooiing van het individu, wat belemmerd werd door een sterk conformisme. In die tijd had je de verhuiselijking in de groeiende suburbs; op het werk werd in plaats van de produktie het onderhouden van prettige intermenselijke verhoudingen het doel van het management - "mood-engineering'; en van een vrouwenbeweging was geen enkele sprake. Het leek alsof vrouwen zich zonder enig protest op het terrein van het huishouden lieten terugdringen.'

"Ik denk dat onder andere daarom The Lonely Crowd te individualistisch van benadering werd, te weinig gericht op inbedding van het individu in de gemeenschap, en dat heeft enkele negatieve gevolgen gehad voor de Amerikaanse cultuur.'

De kern van Riesmans betoog in The lonely Crowd is de tegenstelling tussen twee types van sociale karakters: inner-directed en other-directed. Een persoonlijkheid die vooral inner-directed is heeft een doel in het leven dat hem door ouders en/of andere volwassenen in de vroege jeugd is ingeprent en waar hij zich in de rest van zijn leven niet van zal laten afbrengen. De other-directed persoonlijkheid laat zich van jongs af aan in smaak, normen en doeleinden leiden door leeftijdgenoten, door een directe omgeving die voortdurend wisselt. Het eerste type hoort bij een produktiegerichte maatschappij, die van de negentiende eeuw. Het tweede is comsumptiegericht, en werd volgens Riesman eind jaren veertig een steeds belangrijker verschijnsel in de Amerikaanse stedelijke hogere middenklasse.

De inner-directed zijn in de beeldspraak van Riesman afhankelijk van een gyroscoop, een instrument om bijvoorbeeld een schip te stabiliseren, dat is ingesteld door de ouders en met behulp waarvan de inner-directed hun weg moeten vinden door een wereld die niet meer gecontroleerd wordt door tradtionele normen. De other-directed zijn uitgerust met een radar: voortdurend peilen zij de meningen en reacties van hun omgeving, en passen zich aan. De een wordt psychologisch gezien op koers gehouden door schuldgevoel, de ander door een nerveuse onrust (anxiety).

Riesmans typologie is behalve veel geprezen ook bekritiseerd door sociologen. Johan Goudsblom spreekt in Balans van de sociologie van Riesmans "interessante conclusies', maar klaagt ook over een "slordige, haastige indruk' die het boek achterlaat: "Er lopen verschillende tegenstellingen door elkaar [...]: innerlijk-uiterlijk, zelf-ander'. Dennis Wrong, een Amerikaanse socioloog, merkt in een bewonderend essay over The Lonely Crowd (Sociological Forum, 1992) op dat een van meest gangbare fouten van lezers is dat zij other-directed weergeven als outer-directed; sterker, velen menen dat Riesmans boek een regelrechte aanval is op het verschijnsel other-direction. En dat was Riesmans bedoeling niet.

Riesman: "Ik kon tegenover other-direction niet self-direction stellen. Beide types geven namelijk alleen verschillende vormen van conformisme aan. En outer-direction klopt ook niet omdat de gerichtheid op anderen geïnternaliseerd is, net als de normen van de ouders bij inner-direction.'

Maar inner-directed klinkt toch veel gunstiger dan other-directed?

"Ja, ja, ik weet het. Maar ik schatte toen dat effect niet goed in. Een van de problemen bij de receptie van het boek was dan ook de uitzonderlijke zelfhaat van lezers die besloten dat ze other-directed waren. De meesten dachten, o jee, wat moet er van me worden, ik ben geen meester van mezelf! En zo is The Lonely Crowd een factor geworden in de counterculture van de jaren zestig. Jongeren zeiden, ik zal eens laten zien dat ik niet other-directed ben, ik volg mijn eigen lijn. En wat ze volgden was dan de lijn van hun directe kleine omgeving die zich ver verheven voelde boven de massa's.'

"Dat soort invloed heeft het boek gehad. En nog. Toen ik The Lonely Crowd schreef vond de uitgever dat het boek vanwege de moeilijkheidsgraad alleen geschikt was voor gevorderde studenten. Nu blijken de meesten het al op high school gelezen te hebben en dat acht ik geen onverdeeld genoegen. Die aankomende studenten zijn heel moeilijk te onderwijzen met hun gewiekstheid, hun cool tussen aanhalingstekens. Ze denken er verder niet over door, ze betrekken het alleen op zichzelf, en dan vinden ze zich nog steeds other-directed, dat komt veel voor. Maar other-direction zoals ik het indertijd omschreef, zie ik niet meer: behalve conformistisch was het namelijk ook vriendelijk, open en tolerant. De jonge studenten van nu streven naar authenticiteit en persoonlijke autonomie, maar ze doen dat op manieren die zijn afgestemd op een zeer kleine groep van leeftijdgenoten. Ze zijn niet als de anderen, dat vinden ze heel belangrijk, maar ze zijn wel net als dat kleine kringetje. Het automerk Saab maakt daar handig gebruik van in zijn advertenties.'

Riesmans balanceren op de rand van diagnose en voorschrift doet hem kennen als een sociaal criticus, als een beoefenaar van de "tijdsdiagnostiek', zoals Goudsblom hem, met anderen als Thorstein Veblen en C. Whright Mills, karakteriseert. Nog steeds is zijn belangstelling voor de pure sociologische theorie niet groot. De achtergrond van zijn denkbeelden in The Lonely Crowd zijn vooral praktische ervaringen en onderzoeken, en hij maakt gebruik van al het sociaal-culturele denken, wetenschappelijk of niet. Een verband tussen zijn ideeën over inner-direction en de civilisatietheorie van Norbert Elias kan hij niet leggen: "Ik ken de naam, het werk niet', zegt hij.

Riesman is niet opgeleid tot socioloog. Hij studeerde eerst scheikunde en later rechten aan Harvard. Hij reisde naar Rusland, en Labrador, werkte op een advocatenkantoor, assisteerde de openbare aanklager in New York en werd hoogleraar rechten in Buffalo, de stad van Bethlehem Steel en 85% Polen. In 1942 verwierf Riesman zich faam met een studie over smaad in de Amerikaanse wetgeving. Op Tocquevilliaanse wijze verwonderde hij zich over de geringe rol die smaad en laster in de Amerikaanse rechtspraak speelden. "Je hebt dat spreekwoord hier: Sticks and stones can break my bones, but words can never hurt me. Ik wist dat dat niet kon kloppen, en ik heb vergelijkend onderzoek gehouden en een aantal artikelen geschreven om te proberen die eigenheid van Amerika te verklaren.'

Zijn publikaties werden een factor in de opmerkelijke ontwikkeling van de Amerikaanse rechtspraktijk op dit gebied. "Belediging had je maar te nemen, dat was deel van de ruigheid van het Amerikaanse leven. Tot het een bron van inkomen, een hele industrie wordt, zoals nu, en tot mijn spijt wordt daarbij gebruik gemaakt van mijn werk. Mij leerde smaad in ieder geval dat Amerika anders was, nog voordat ik Tocqueville las.'

Hij werd uitgenodigd om aan de University of Chicago te komen werken, als socioloog. Hij had veel collega's die evenmin sociologie gestudeerd hadden; ze kwamen van allelerlei disciplines en beroepen, en ze bezaten soms in het geheel geen academische graad. Dank zij gunstige regelingen voor de scholing van veteranen expandeerde het onderwijs snel, ook in de sociale wetenschappen, want daar werd wat van verwacht. Riesman kon op zijn beurt weer anderen naar Chicago halen, bijvoorbeeld Reuel Denney, een dichter die alles wist van populaire cultuur, en die hem - samen met Nathan Glazer - bij het onderzoek voor The Lonely Crowd zou assisteren. De nieuwbakken sociologen van Chicago waren vooral nieuwsgierig en deden aan direct observerend onderzoek. Ze vormden te zamen de later zo beroemde Chicago school.

Met alle vrijheid die een dilletant zich kan veroorloven verbond Riesman zijn karaktertypologie met uiteenlopende maatschappelijk fenomenen. Over de verregaande kennis van populaire liedjes onder jonge meisjes - waar hij onderzoek naar gedaan had. Over de stijl van de industriële leider, over de zelfhaat (toen al) bij amusementsproducenten. En interessante terzijdes, bijvoorbeeld die over de teloorgang van de gepassioneerde jongens-hobby's met het verdwijnen van inner-direction. Maar een van de belangrijkste delen van het boek gaat over politiek, waar hij aantoont dat een gefrustreerd moralisme van de inner-directed tot irreële politiek leidt, bijvoorbeeld de drooglegging van Amerika van 1920 tot 1933. Hij vreesde dat de other-directed met hun waterige tolerantie geen partij zouden zijn voor nieuwe uitingen van dergelijke inner-directed verontwaardiging.

Riesman: "Ik maakte me, ondanks al mijn optimisme over de welvaart, veel zorgen over het handhaven van enigerlei politieke orde in dit land. Toen al, en nu nog meer. Ik had in Buffalo de volstrekte geslotenheid gezien van de Poolse gemeenschap, met daarboven een elite die de zaken absoluut niet in de hand had. Er werd toen veel geklaagd over apathie. Nou, ik heb als vervolg op The Lonely Crowd nog een stuk geschreven dat "In Praise of Apathy' had kunnen heten. Apathie is beter dan mobilisatie. Heer sta ons bij, als we de moralistisch rancune van de inner-directed of het modieuze linkse sentiment van de other-directed mobiliseren! Ik had heel duidelijk het gevoel, op grond van persoonlijke angsten maar ook uit sociaal besef, dat de dingen ineen konden storten en dat het land nauwelijks regeerbaar was.'

Enkele jaren na The Lonely Crowd publiceerde Riesman in samenwerking met Glazer Faces in the Crowd, een lijvig boek waarin een aantal geïnterviewden beoordeeld werd op hun inner- of other-direction, en op de mate waarin zij zich daar aan konden ontworstelen, hun zo gewenste "autonomie'. De auteurs gaven in hun evaluatie de respondenten er goed van langs als zij zich te conformistisch toonden, een psychologiserende pedanterie waar Riesman zich in zijn voorwoord bij de verkorte editie van 1965 voor excuseerde, zonder overigens een woord in de tekst te wijzigen. "Het kwam door de arrogantie van sommige van die jonge mensen, de politieke zekerheden van degenen die trendy links waren', zegt Riesman. "Het is wel vreemd, want er zijn maar heel weinig mensen die ik echt haat.'

De conservatief Allan Bloom karakteriseerde de sociologen van Chicago in zijn bestseller van 1987 The Closing of the American Mind als allemaal "marxisten of New Deal Liberals'. Ze geloofden, schreef Bloom, dat wetenschappelijke vooruitgang ook sociale vooruitgang zou betekenen. De oorlog tegen rechts was binnenlands gewonnen via de stembus en buitenlands op het slagveld. "Wat restte was de complementering van het democratische project. Psychotherapie zou individuen gelukkig maken, en sociologie zou de maatschappij verbeteren.'

Bloom verweet deze sociologen, waarbij hij zelf was schoolgegaan, een kritiekloze overname van ideeën van Nietzsche, Freud en Weber: The German Connection. Het duistere waarderelativisme van deze Duitsers zou door de Amerikanen van zijn oorspronkelijke gevoel voor tragiek zijn ontdaan en als een eenvoudige wetenschappelijk verworvenheid zijn beschouwd die de wereld ongetwijfeld verder zou helpen. De mens die zijn eigen waarden kiest zou een bruikbare alternatief zijn voor een goed mens. Aan de Duitsers ontleende termen als "lifestyle', "commitment' en "identity' werden via de sociale wetenschap gemeengoed, helaas: "Alhoewel nihilisme en de daarbij behorende existentiële wanhoop nauwelijks meer dan een pose kunnen zijn voor Amerikanen, heeft de taal die ontleend is aan het nihilisme hun opvoeding en dagelijks leven doordrongen - hun streven naar geluk wordt bepaald door die taal. Een heel arsenaal van termen die over niks gaan - zelfvervulling, bewustzijnsverruiming.'

Woody Allen is volgens Bloom een goed voorbeeld van dit soort denken. Maar van de belangrijkste booswichten, zij die aan de bron stonden van dit kwaad, stelt Bloom ten eerste Erich Fromm ten voorbeeld: de Duitse refugee die in 1933 naar Amerika kwam en daar in '41 Fear of Freedom publiceerde, een boek "dat niet meer is dan Dale Carnegie [How to Stop Worrying and Start Living] met een beetje Middeneuropese culturele slagroom erop.' De tweede die het moet ontgelden is Fromms adept en analysant, David Riesman.

"Het boek van Bloom is onterecht afgekraakt - hij schrijft wel degelijk een aantal opmerkelijk dingen', zegt Riesman zonder enige ironie. "Ik volgde bij Fromm overigens niet een echte formele analyse. Ik ging niet op de divan, we praatten alleen maar, en dat heeft me zeer goed gedaan.'

"Ik heb een verhaal dat u zal amuseren. Mijn moeder verhuisde van Pennsylvania waar ik ook opgroeide, naar New York om daar door Karen Horney geanalyseerd te worden. Horney vond mij een zeer gelaten jongmens, waarmee ze bedoelde dat ik problemen had; en mijn moeder drong er op aan dat ik met Fromm zou praten, een goede vriend van Horney. Ik deed haar dat plezier, ging naar zijn huis en zag daar de Gesammelte Werke van Marx en Engels staan. Ik zeg, ik wil daar niets van weten - ik ben altijd al anti-communist geweest. En hij lachte: waarom denk je dat, dat is het laatste wat ik zou willen doen! In feite bewonderde hij Trotzky nogal, wat ik beslist niet deed, maar hij was bijzonder nuttig voor me omdat hij me ervan kon overtuigen dat ik iets te zeggen had. En dat geloofde ik tot dan niet: mijn moeder had me altijd voorgehouden dat ik beslist niks bijzonders was.'

"Mijn ouders behoorden tot de elite. Ze waren van Duits-joodse afkomst, maar dat betekende nog geen belangstelling voor alles wat uit Duitsland kwam. Integendeel ze waren eerder francofiel, en ze hielden van renaissance-schilderijen. Als kind werd meegnenomen naar het museum en dan zei mijn moeder, ga naar de eerste verdieping, sla rechts af, ga de zaal daar in en kom terug en beschrijf me de verschillen tussen de Venetianen en de Florentijnen die daar hangen. Voor mij was dat allemaal niet van belang, het interesseerde me niks, net zo min als de opera en al die andere dingen waar zij zo dol op waren. Mijn moeder onderscheidde twee typen mensen: de eersterangsmensen, dat waren de grote kunstenaars als Bach, Wagner etcetera. En dan had je nog de mensen van het tweede garnituur, die waren voor haar alleen maar goed voor het gewone werk. Mensen zoals ik en mijn vader. Hij was een bekende medisch hoogleraar aan de universiteit van Pennsylvania. Dat was veel te gewoon. Zo stelde zij het voor, en ik had het idee dat daar niets aan te doen was. Fromm veranderde dat allemaal.'

"Maar verder verschilde ik met Fromm op verschillende punten van mening. Fromm schreef negatief over het kleine Bürgertum. En in het algemeen werd de lagere middenklasse door mijn wereld als verachtelijk terzijde geschoven. Ik heb die gewone mensen nooit geminacht. Ik heb nooit misprijzend gedaan over het alledaagse gewone werk. Om een voorbeeld te noemen: iedere zomer woonden we in Northeast Habor, Maine, het zomerverblijf van de oostkust-elite, en dan werd mijn vader wel eens gebeld vanwege problemen met een van zijn patiënten. Mijn moeder zei dan, laat je assistent toch dat werk doen! Maar mijn vader ging, altijd, ook al hield mijn moeder nooit op met protesteren. Ik respecteerde dat in hem, en ik ben er trots op dat ik mijn hoogleraarschap ook zo opgevat heb. Ik heb geen college gemist.'

Er zit een kern van waarheid in de verwijten van Bloom. Zijn ideeën over de German Connection vindt Riesman ook wel grappig, zo lijkt het. Maar Riesman en The lonely Crowd zijn gecompliceerder dan Bloom het voorstelt. Zo wisselt hij bijvoorbeeld telkens van positie in zijn boek: hij verdedigt de populaire cultuur tegen de hoon van de elite, terwijl de misprijzende ondertoon bij zijn beschrijving van other-direction terug te voeren is op een verwerping van sentimenteel egalitarisme bij de hoogopgeleiden. Het is in het laatste deel van The Lonely Crowd dat Blooms kritiek doel treft: daar neemt Riesman definitief plaats op de kansel en houdt de lezer voor dat er een weg uit het bloedeloze conformisme is. Dat is dan "autonomie', de zelfontplooiing. "Ik was er toen al niet gelukkig mee', zegt hij nu, "maar toch heb ik het erin gehouden. Ik neem aan dat ik me verplicht voelde aan mijn eigen schema.'

Maar in het betere deel van The Lonely Crowd is Riesman slechts de brenger van de boodschap die Bloom niet bevalt. Het zijn de analyses en beschrijvingen van de consumenten- en jeugdcultuur, die in Amerika pas na 1950 echt dominerend werden, en in Europa nog later, rond 1970. Christopher Lasch kon er in zijn Culture of Narcissism uit 1979 dankbaar op voortbouwen. Lasch nam de analyse van Riesman en poneerde dat de tolerantie en vriendelijkheid van other-direction twintig jaar later was verkeerd in een grimmige strijd tussen de mensen om zoveel mogelijk amusement uit de ander te peuren.

Riesman gaf hem in 1980 in Encounter groot gelijk. En toch doet Riesmans boek niet veel gedateerder aan dan dat van Lasch. In 1949 beschreef Riesman als een antropoloog hoe de "peergroup' vooral de consumentensmaak ontwikkelt, waarbij gesproken wordt in "de vaagste frasen die voortdurend veranderen om de nuances van de waardering voor allerlei comsumptiegoederen uit te drukken, maar bovenal ook de waardering voor elkaar en elkaars gedrag'. The other-directed kinderen zijn de pioniers van de "frontiers of consumption', en het "produkt' wat zij zelf moeten leveren is een "persoonlijkheid'. "De taal zelf wordt een soort consumptiegoed', "teenagers moeten de volwassenen initiëren in plaats van vice versa', "de massamedia vragen het kind om de wereld te zien zoals hèt kind - dat wil zeggen het àndere kind - het ziet'.

Dit is postmodernisme.

Riesman: "O ja? Een vroegere student van me, Stephen Mastovic, heeft zojuist een boek geschreven over het fin de siècle nu, en postmodernisme nu, en hij heeft het aan mij opgedragen. Maar ik kan het niet echt volgen.'

Waarom heeft u The Lonely Crowd nooit grondig herschreven, of een vervolg gemaakt?

"Er waren andere dingen die me meer interesseerden. Ik ben me uiteindelijk gaan verdiepen in het hoger onderwijs, en dat op een etnografische manier. Als ik mijn leven zou moeten overdoen werd ik antropoloog.'

U bent meer een opvoeder dan een sociaal wetenschapper.

"Ja, dat is een redelijke stelling. Ik heb met de studenten van tegenwoordig te doen. Neem het belang wat ze hechten aan ervaring opdoen in werken met de armen. Nou, ik deed in mijn tijd ook al "slumming', maar ik was daar niet sentimenteel over, het was om iets te ontdekken en niet zoals tegenwoordig uit schuldgevoel - dat kende ik absoluut niet. Studenten van nu zijn almaar op zoek naar hun identiteit en naar legitimiteit, en niet alleen studenten. Overal zie je een terugvallen op het etnische, als enige manier om de noodzakelijke band met een gemeenschap te legitimeren. The Lonely Crowd veronderstelde dat dat allemaal achter ons lag, dat het genoeg was om een Amerikaan te zijn, of verder, planetair gezien, om een goede burger te zijn - ik dacht dat dat kon dienen als een basis van troost en legitimatie.'