Europese Commissie: economische groei alléén kan probleem niet oplossen; Alarm over werkloosheid in EG; Nederland vormt qua werkloosheidscijfer "uitzondering' in EG; Werkloosheid dreigt centrale probleem te worden in de jaren '90

BRUSSEL, 23 JULI. Europees commissaris Papandreou (sociale zaken) heeft alarm geslagen over de opnieuw oplopende werkloosheid in de EG. Die dreigt volgens haar uit te groeien tot “het centrale probleem voor de gemeenschap in de jaren negentig”.

Papandreou vindt dat de lidstaten van de EG de werkloosheid veel serieuzer moeten bestrijden dan tot dusver gebeurt en dat ze niet uitsluitend aandacht moeten hebben voor hun macro-economisch beleid om te voldoen aan de normen voor toetreding tot de Europese monetaire unie (EMU). Ze pleit voor “een herbezinning op communautair niveau” over het economische ontwikkelingsmodel van de gemeenschap. Ze zal binnenkort een nota publiceren om de discussie daarover op gang te brengen.

Commissaris Papandreou heeft dit gisteren in Brussel gezegd bij de presentatie van een rapport over de werkgelegenheid in Europa. Ze zei dat de huidige stijging van de werkloosheid in de EG (afgelopen maand 9,5 procent) zich ook volgend jaar zal voortzetten. Pas na 1993 bestaat hoop op verbetering, maar zeker is zo'n ommekeer ten goede allerminst.

Volgens Papandreou, een Griekse socialiste, zijn de vooruitzichten “niet rooskleurig”. De lidstaten van de EG schieten tekort in de pogingen om (langdurig) werklozen aan een baan te helpen. De economische groei zal de komende tijd onvoldoende zijn om het probleem van de werkloosheid op te lossen. Bovendien blijkt dat ook bij een gezonde economische groei bepaalde categorieën mensen buiten de boot vallen.

Papandreou zei dat de lidstaten van de EG niet alleen moeten kijken naar macro-economische factoren, waarover bijvoorbeeld in Maastricht afspraken zijn gemaakt in het kader van de EMU. Ze moeten ook rekening houden met de ontwikkeling van de de werkloosheid binnen hun economieën. “Het voldoen aan de normen voor toetreding tot de Europese monetaire unie mag niet ten koste gaan van de werkgelegenheid. Het werkloosheidspercentage is al veel te hoog. We kunnen ons geen stijging permitteren. De sociale gevolgen daarvan zijn niet meer te dragen”.

Tussen 1985 en 1990 werden in de twaalf lidstaten van de EG in totaal 9 miljoen nieuwe arbeidsplaatsen geschapen. Dat gebeurde vooral in de dienstensector (goed voor 60 procent van de Europese werkgelegenheid). Daardoor kon de werkloosheid in die periode dalen van gemiddeld 10,8 procent tot 8,3 procent.

Maar halverwege 1990 kwam een einde aan die gunstige ontwikkeling. Vorig jaar zaten 12,9 miljoen mensen in de EG zonder werk, hetgeen overeenkwam met een werkloosheidspercentage van 8,8. Afgelopen maand was het gestegen tot 9,5. Alleen West-Duitsland, Nederland en Portugal vormden een gunstige uitzondering.

De Griekse commissaris signaleert enkele zorgwekkende ontwikkelingen die zich aftekenen op de Europese arbeidsmarkt. Opvallend is bijvoorbeeld dat "slechts' 60 procent van de beroepsbevolking ook daadwerkelijk aan het arbeidsproces deelneemt. Bij de belangrijkste concurrenten van de EG is dat aandeel hoger: 70 procent in de Verenigde Staten en 72 procent in Japan. Het Nederlandse cijfer ligt een paar procentpunten boven het EG-gemiddelde. In 1985 scoorde Nederland met een arbeidsparticipatie van 52,6 procent nog slecht bij een EG-gemiddelde van 57 procent.

Zorgen maakt Papandreou zich ook over de werkloosheid onder de Europese jeugd. De werkloosheid onder de jongeren (tot 24 jaar) nam tussen 1985 en 1990 af van 23,1 procent tot 16,6 procent, deels door het opzetten van speciale werkgelegenheidsprogramma's. Maar intussen is ook dat percentage weer gestegen (tot ruim 18 procent), blijkt uit het rapport. Daarbij zijn grote verschillen te zien per lidstaat. In Italië en Ierland heeft ongeveer 30 procent van de jongeren geen baan, terwijl de jeugdwerkloosheid in het vroegere West-Duitsland slechts 4 procent bedraagt.

Bijzondere aandacht besteedt Papandreou aan het groeiend aantal mensen dat werkloos is en dat nog nooit een baan heeft gehad. Ondanks de stijging van de werkgelegenheid tot en met 1990 is hun relatieve aandeel in de werkloosheid slechts marginaal verminderd tot 1990. Daarna is de langdurige werkloosheid in de EG opnieuw toegenomen.

Momenteel zit bijna de helft van het aantal werklozen in de Europese Gemeenschap al langer dan een jaar thuis. Ongeveer 35 procent heeft nog nooit gewerkt. In België en in de zuidelijke lidstaten is het aandeel van de langdurige werkloosheid relatief het grootst. Ook op dit punt krijgt Nederland, evenals Spanje, Portugal en Groot-Brittannië, een complimentje: bij ons verminderde de langdurige werkloosheid aanzienlijk.

Een onderverdeling van de cijfers naar mannen en vrouwen toont aan dat er nog steeds geen sprake is van gelijke kansen voor de seksen op de arbeidsmarkt, aldus Papandreou. Vrouwen vinden vooral werk in de gezondheidszorg, het winkelbedrijf en het onderwijs. In de jaren tachtig is die concentratie in slechts een beperkt aantal beroepen eerder toegenomen dan verminderd. Bovendien krijgen vrouwen over het algemeen minder betaald dan mannen. Hun salaris bedraagt gemiddeld 70 tot 75 procent van dat van mannen.

De huidige stijging van de werkloosheid in de EG en de onevenwichtige verdeling ervan maakt een actieve benadering van de Gemeenschap noodzakelijk, aldus commissaris Papandreou. Probleem is dat het niet zo eenvoudig is om een doeltreffende aanpak te kiezen, erkent ze. Uit de statistieken valt bijvoorbeeld geen directe relatie af te leiden tussen inspanningen op het gebied van scholing en werkgelegenheid. Sommige landen geven relatief weinig uit aan scholing en kennen tegelijkertijd een lage werkloosheid. Andere landen besteden een groter deel van hun BNP aan scholing en hebben een relatief hoge werkloosheid. Dat toont aan dat beroepsopleidingen op zichzelf de problemen niet oplossen, aldus Papandreou. Er zijn aanvullende maatregelen nodig en daarover wil zij een discussie ontlokken.