Berg en dal

Stel dat we Zwitserland zouden afgraven. Het zou de veiligheid van de Zwitsers zeer ten goede komen. Ze zouden geen gevaar meer lopen van bergen af te storten, door buiten hun oevers tredende bergstromen te worden meegesleurd en onder lawines te worden bedolven. Het aantal verkeersslachtoffers zou in Zwitserland drastisch verminderen als alle kronkels langs bergwanden verdwijnen en slechts rechte wegen het land doorkruisen. Het Zwitserse leger, dat zich nog per fiets verplaatst, zou eindelijk het landschap krijgen dat het meest voor dit vervoermiddel geschikt is.

Natuurlijk zouden er Zwitsers tegen het graafplan protesteren. Liefhebbers van Edelweiss bijvoorbeeld, die vrezen dat deze bloem met de bergen uit het land verdwijnt. Ook Zwitserse landschapschilders zouden verontwaardigd zijn. Ze zouden uitroepen dat veiligheid prachtig is, maar dat de schoonheid van het Alpenlandschap er niet voor opgeofferd mag worden. Die kunstenaars weten waarover ze het hebben na jarenlange doorvorsing van het mooiste van hun landschap, het Alpenglühen.

Zulke argumenten zouden geen indruk maken op de plannenmakers. Zij zouden zich daarbij gesteund voelen door degenen die bergen altijd slechts lastige obstakels vonden, door aannemers die al graafmachines hadden besteld en veronderstelden dat zij een unieke afgraaftechnologie konden ontwikkelen waardoor zij in de hele wereld bergverwijderingsopdrachten zouden kunnen binnenslepen, en door politici die kansen voor de werkgelegenheid tot in de verre toekomst zagen. Producenten van ski-liften en exploitanten van berghotels, die de toekomst van het Alpentoerisme toch al somber inzagen, zouden in het afgegraven land slechts uitdagingen zien voor een nieuwe toeristenindustrie die zonder berggevaren veilig zou kunnen draaien met de precisie van een koekoeksklok.

Om toch enigzins aan de bezwaren tegemoet te komen zou na het afgraven van Zwitserland in het midden van het land, ergens waar nu de Sint Gotthard ligt, een nieuwe berg gemaakt kunnen worden met Edelweiss, een zelfregulerend eco-systeem, klauterwanden en, als speciale voorziening voor schilders, bij de mooiste uitzichten vaste ezels en krukjes, als bankjes in een stadspark.

De afvoer van alle aarde en rotsblokken van het verdwijnende hooggebergte zou nog een probleem zijn. Het eenvoudigst was om het per schip de Rijn af te sturen naar Nederland. Eeuwen geleden gingen op die manier de Batavieren naar de Lage Landen, nu zouden ze de bergen achter zich aan kunnen krijgen. De Zwitserse bergen zouden gebruikt kunnen worden om Nederland op te hogen. Want zoals Zwitserland gevaren kent omdat het hoog is, zo kent Nederland gevaren waarvan het verlost wil worden omdat het laag is.

Die afvoer van de bergen via de Rijn zou overigens pas moeten gebeuren na een overeenkomst waarin de maximale hoogte van Nederland zou zijn vastgelegd. Zou Nederland alle Zwitserse bergen namelijk herbouwen, dan zou dat betekenen dat de Rijn in tegengestelde richting zou gaan stromen en dat Zwitserland dijken zou moeten aanleggen. Dat zou tot gevolg hebben dat Zwitsers, die zich net hadden bekwaamd in het afgraven, ook nog de technologie van Nederlandse dijkenbouwers zouden moeten leren. Dat zou hun aanpassingsvermogen te boven gaan.

Nederlandse dijkenbouwers zouden de komst van de Zwitserse bergen buitengewoon verwelkomen. De al jaren voortslepende discussie over de vraag welke dijkhoogten noodzakelijk zijn om overstromingen te voorkomen, zou plotseling voorbij zijn. Protesten tegen de verwoesting van het rivierenlandschap door de aanleg van nieuwe rechte, kale dijken, zouden geen zin meer hebben. Er zouden geen dijken meer nodig zijn langs de rivieren.

Natuurlijk zouden in Nederland bezwaren rijzen tegen deze ingrijpende veranderingen. Wadlopers bijvoorbeeld zouden niet willen dat hun vlaktes van zee, modder en vogels verdwijnen onder een lading Zwitserse rotsblokken. Iedereen die bemint wat groeit langs rivier en sloot zou woedend worden, al is de komst van Edelweiss nog zo mooi.

Landschapschilders zouden de belangrijkste oppositie vormen. Zij zouden het niet aanvaarden dat het landschap met een uitzonderlijke combinatie van water, wolken, land en begroeiing onder Zwitserse Alpen verdwijnt. Verdedigers van plant en dier, de in gestroomlijnde organisaties werkende milieu-activisten, zouden iets soepeler zijn. Als die voor een stukje vernietigde natuur iets nieuws in de plaats krijgen - een wetenschappelijk doordacht oerbos of iets dergelijks - zijn ze doorgaans dik tevreden.

Een ingeschakeld public relations-bureau zou adviseren aan de bezwaren tegemoet te komen door midden in het land, ter hoogte van de huidige Betuwe, een put te graven, die te laten volstromen met water en daarin de hele vegetatie van de oude uiterwaarden te planten. Zij zouden ook voorstellen om voor schilders vaste ezels en krukjes langs het water te plaatsen (waarbij zij erop zouden wijzen dat iets soortgelijks in Zwitserland ook was gedaan).

Stel dat we Zwitserland zouden afgraven en Nederland zouden ophogen. Dan zou in Nederland die hoge wolkenhemel niet meer boven die lage horizon en al dat glinsterende water staan, dan zouden zon en schaduw er niet meer over het vlakke land spelen. Dan zou een schilder langs die ene waterput naar bergwanden kijken in plaats van naar een naderende onweerslucht. En zijn Zwitserse collega zou vanaf de ene, speciaal gebouwde berg over een eindeloze vlakte staren. Ze zouden beiden weemoedig terugdenken aan de tijd dat je in Zwitserland nog door een lawine bedolven kon worden en in Nederland als gevolg van een dijkdoorbraak kon verdrinken.