Van der Zwan: overname Fokker is gemiste kans voor industriebeleid; De banken hebben bij Fokker nooit veel risico gelopen

DEN HAAG, 22 JULI. “Dit is in feite een hele gekke vertoning. Eerst onderhandelen Fokker en Dasa met elkaar en dan komt de overheid nog eens. Dat verdient geen schoonheidsprijs. Er ligt nu een onderhandelingsresultaat, maar de overheid wil achteraf verbeteringen aanbrengen. Maar als die afspringen dan zit diezelfde overheid wel met de verantwoordelijkheid voor een enorm financieel gat. De overheid breekt, en Fokker maakt aanspraken op overheidsfinanciering. Waarom zit er niet één partij tegenover de Duitsers?”

Econoom en ondernemer Arie van der Zwan, wiens naam in 1980 was verbonden aan het roemruchte WRR-rapport "Plaats en toekomst van de Nederlandse industrie' en die in 1990 voorzitter was van de stuurgroep "Nederland industrieland', kan deze weken zijn ogen en oren nauwelijks geloven. Vol overtuiging hekelt hij het huidige “ad hoc beleid”, dat hij typeert als “een gemiste kans”.

Van der Zwan: “Dat is typisch voor de Nederlandse industriepolitiek. Een uitgangspunt, een filosofie ontbreekt. De overheid wordt pas actief als bedrijven in problemen komen. Zie NedCar, zie Daf Trucks, zie ook Fokker. Deze situatie hebben we in 1990, toen onze stuurgroep pleitte voor een actief industriebeleid, zien aankomen. De industriële bedrijven kwamen door de conjuncturele neergang en de verdere Europese integratie behoorlijk op de tocht te staan. Kijk nu eens om je heen: Daf, Fokker, Philips natuurlijk, en in mindere mate Hoogovens. Die bedrijven hebben behoefte aan een actief industriebeleid.”

Dasa, stelt Van der Zwan, onderhandelt met één mond, mede namens de partners in het Regioliner-project (het Franse Aerospatiale en het Italiaanse Alenia). “Van Nederlandse kant daarentegen spreekt men met twee koppen. Een geweldig teken van zwakte”.

Wat Fokker betreft is Van der Zwan een “geïnformeerd buitenstaander”. Als president-directeur van de Nationale Investeringsbank was hij in 1987 nauw betrokken bij het overleg tusen Fokker, de banken en de overheid. De regering vroeg toen Fokker op zoek te gaan naar buitenlandse partners. Van der Zwan: “Dat was voor Fokker natuurlijk niet zo leuk, als de hele wereld weet dat je verplicht op zoek bent naar een partner. Dan is je onderhandelingspositie niet zo best.”

In 1992 liggen de zaken echter juist andersom. Fokker wil met Dasa in zee, maar nu houdt de politiek de boot af. Of niet? Van der Zwan: “Je kunt je afvragen of hier niet sprake is van een opzettellijk stuk theater door alle betrokken partijen. Vergeet niet: voor alles wat de overheid eist krijgt ze onmiddellijk de rekening gepresenteerd. Vindt de overheid dat plezierig? Het bijeenroepen van de vaste Kamercommissie tijdens het zomerreces leidt tot de creatie van een heleboel kabaal, een heleboel druk die er normaal niet is.”

Van der Zwan heeft, als zovelen, zijn twijfels over het optreden van de Dasa-top. “Fokker werkte maximaal mee. Maar de toon die door Dasa werd aangeslagen riep natuurlijk hele onaangename reminiscenties op. Ze traden op als een verwende industriële grootmacht. Met als gevolg dat wie nu Dasa zijn zin niet geeft, voor gek kan worden uitgemaakt.”

Het dilemma waarvoor minister Andriessen staat omschrijft hij als volgt: “De vraag is nu: kan de overheid als zij zich terugtrekt als grootaandeelhouder toch haar invloed handhaven? Het nationale belang van Fokker reikt veel verder dan het financiële belang. De overeenkomst tussen Fokker en Dasa waar Andriessen zich nu tegen keert bevat een weeffout. Want die overeenkomst is gebaseerd op het financiële belang van beide partijen, niet op het technologisch-economisch belang dat Fokker voor Nederland heeft. Een kind kan zien dat dat belang veel groter is.”

Het huidige ad hoc beleid betekent volgens Van der Zwan al te vaak dat de overheid moet inspringen als banken en aandeelhouders het laten afweten. Hij noemt als voorbeeld Daf Trucks. “Daf was financieel vastgelopen, toen moest de overheid bijspringen met een garantielening van honderd miljoen. Daardoor werden de aandeelhouders uit de wind gezet. De aandeelhouders moeten meedoen, vind ik. En wat de banken betreft: die namen ook nauwelijks enig risico.”

Fokker zit volgens Van der Zwan financieel wel degelijk vast. “De banken hebben zich met zekerheden ingedekt. Zij namen de financiering niet voor hun rekening en risico, maar de overheid. Dasa maakt gebruik van die situatie om Fokker over te nemen. De waarde van de Fokker-aandelen op de beurs staat niet in verhouding tot de betekenis van Fokker voor de Nederlandse industrie. De banken hebben bij Fokker nooit veel risico gelopen. Wat er ook gebeurt, of Dasa Fokker overneemt of dat de overheid geld in Fokker pompt, in beide gevallen worden de banken uit de wind gezet. De overheid heeft aan Fokker een revolving fund verstrekt. Dat ging tot dusver goed, het geld kwam steeds terug, maar blijft dat zo?”

Wat het “spektakel” van deze week betreft ziet Van der Zwan twee mogelijkheden. “Of men maakt nu een hoop misbaar zodat men straks met goed fatsoen het hoofd in de schoot kan leggen en Fokker uitleveren aan Dasa. Of men maakt nu alvast de geesten rijp voor het geval dat de overname afketst en er een enorm financieel gat ontstaat dat de overheid moet opvullen. Welk van de twee scenario's werkelijkheid wordt is nu nog onzeker, ook binnen de onderneming ligt dat heel verschillend.”

Als Dasa de controle heeft over Fokker, zullen de Duitsers het Aeroliner-project dan werkelijke schrappen, zoals ze beloofden? “Ongetwijfeld,” zegt Van der Zwan. “Dan kunnen ze gebruik maken van de kennis en know how van Fokker. Maar dit is eigenlijk een vraag die je van tevoren moet stellen en beantwoorden, als je het industriebeleid uitstippelt. Het antwoord is immers van verstrekkende betekenis voor je concurrentiepositie en dus voor je onderhandelingspositie.”

Moet Fokker niet van Dasa eisen dat alle toezeggingen nauwgezet op papier worden vastgelegd, inclusief bijbehorende sancties als het feest niet doorgaat? Een fusie op z'n Amerikaans, dus? Van der Zwan voelt daar niets voor: “Zo kun je geen zaken doen. Dan val je in de handen van advocaten. Er zijn altijd onvoorziene situaties. Een overeenkomst moet wel op schrift worden vastgelegd. De minister confronteert de Duitsers nu met de noodzaak daarvan. Je moet je niet beperken tot intenties, je moet heldere afspraken maken. Maar geen waslijsten.”

Hoe ziet het industriebeleid dat Van der Zwan voorstaat eruit? Is dat een beleid zoals Frankrijk dat voert?

Van der Zwan: “Ja. Je moet niet alleen voorwaardenscheppend bezig zijn, je moet ook ook een specifiek gericht beleid kunnen voeren. Van Gelder (lid van de Tweede Kamer voor de PvdA, de partij waar Van der Zwan lid van is, KC) suggereert nu dat we een industrieel structuurfonds moeten oprichten. Wel, we hadden een industrieel garantiefonds maar dat hebben we een paar jaar terug willens en wetens opgedoekt!

“Wat nu gebeurt is dat onder het mom van structuur- en industriebeleid de rekening voor de aandeelhouders terecht komt bij de overheid. Ondernemers willen niets weten van industriebeleid - tot ze in problemen komen en de overheid de portemonnee moet trekken. Maar dat is geen industriebeleid, dan ontbreekt elke filosofie. Net als de ondernemers moet ook de overheid sterkte-zwakte-analyses maken. Dat geldt ook voor Philips in Nederland. Als Philips besluit tot desinvesteringen en bedrijven worden afgestoten, dan moet de overheid weten of ze die bedrijven zelfstandig wil laten voortbestaan, of ze daarbij een ondersteunende rol wil spelen. Maar er zijn geen studies gemaakt. De Nationale Investeringsbank beschikt over een schat aan informatie, maar die moet wel worden gebruikt.”

Blijft het probleem dat de overheid alleen mag inspringen als het fout gaat.

Van der Zwan: “Natuurlijk, in tijden van hoogconjunctuur loopt de invloed van de overheid terug. Daar moet je je niet tegen verzetten, dat is roeien tegen de stroom in. Maar je moet als overheid wel je instituties op peil houden, niet liquideren. Op het departement van Economische Zaken is het directoraat-generaal industriebeleid enorm teruggebracht, de kennis is de deur uitgegaan. Dat is gebeurd tijdens het tweede kabinet-Lubbers. Maar onder het huidige kabinet zijn de zaken niet verbeterd.

“De overheid moet zelf contacten leggen, zelf initiatieven kunnen nemen. Want als de nood aan de man komt moet ze de kennis in huis hebben. Zo niet, dan is het te laat, en dat kost altijd geld. Het huidige industriebeleid is een beleid van incidenten. Dat is de les van vandaag.”