Spanje: meer aanzien en respect

MADRID, 22 JULI. Geen holle woorden, maar concrete afspraken. Dat moet volgens de Spaanse minister van buitenlandse zaken, Javier Solana, het kenmerk worden van de tweede Ibero-Amerikaanse top. Zoals het er nu uitziet, zullen die afspraken bescheiden blijven en vooral gericht zijn op een nauwere samenwerking op het gebied van onderwijs, wetenschap en communicatie. Op terreinen die toch in de eerste plaats met de taal te maken hebben, want die vormt nu eenmaal de meest concrete band tussen Spanje en Portugal aan de ene kant van de oceaan en de voormalige koloniën aan de overzijde.

Wanneer de verzamelde staatshoofden zaterdag op het vliegtuig naar Barcelona stappen om gezamenlijk de opening van de Olympische Spelen bij te wonen, hopen ze ten minste zeven akkoorden te hebben getekend. Vanaf 1 januari 1993 moet bijvoorbeeld via de satelliet Hispasat in heel Latijns-Amerika drie uur per dag een educatief programma te zien zijn. Verder wordt er een uitwisseling van universitaire docenten in gang gezet en komen er fondsen voor milieubeheer en, op initiatief van Bolivia, voor de bescherming van de indianenbevolking.

Gelet op de bedragen die met dit alles gemoeid zijn gaat het om een betrekkelijk bescheiden reeks initiatieven. Volgens de Spanjaarden zouden zij makkelijk meer financiële steun kunnen verlenen, maar zou daardoor het gevoel van eigenwaarde van de armste partners in het gedrang komen. Veel Latijns-Amerikaanse regeringen zijn gevoelig op dit punt, vooral wanneer het de relatie met het voormalige moederland betreft. Hoewel het initiatief voor de Ibero-Amerikaanse top duidelijk te maken heeft met het vijfde eeuwfeest van de ontdekking van Amerika, moest vorig jaar in Guadalajara al een eerste bijeenkomst georganiseerd worden om te laten zien dat de Spaanse en Portugese staatshoofden heus niet te beroerd waren om in het huis van de volwassen kinderen op bezoek te komen.

Toch hebben Spaanse leiderschapsaspiraties van het begin af aan een rol gespeeld bij het idee voor de conferentie. De gebeurtenis moet immers onderstrepen dat er wel degelijk zoiets bestaat als een Spaans gemenebest en dat Spanje, na bijna een eeuw van politieke, sociale en economische decadentie, weer in staat is om daarin een voortrekkersrol te spelen. Er is nauwelijks iets te bedenken waar de regering van Felipe Gonzalez zoveel waarde aan hecht als internationaal aanzien en het verwerven van respect voor de jonge democratie. Daarom past de Ibero-Amerikaanse top ook in het rijtje van de vredesconferentie voor het Midden-Oosten, de Expo, de culturele hoofdstad en de Spelen.

Hoe fraai de historische en culturele banden tussen het Iberisch schiereiland en Latijns-Amerika ook mogen zijn, de basis van het Spaanse (en ook van het Portugese) buitenlands beleid is toch de stevige verankering in de Europese Gemeenschap. Binnen de EG heeft Spanje zich weliswaar opgeworpen als tolk en middelaar tussen de twee continenten, maar cynici tekenen daarbij aan dat het volume van de Spaanse handel met Latijns-Amerika ver achterblijft bij de mooie woorden. Er zijn bovendien ook praktische problemen die Madrid, als een van de minder rijke EG-partners, verhinderen in Brussel op te treden als advocaat voor de rest van de familie. Een mooi voorbeeld daarvan is de kwestie-banaan.

Het is zo goed als zeker dat de president van Honduras, een land dat voor vijfenveertig procent van zijn exportinkomsten van de banaan afhankelijk is, en zijn collega's van onder andere Panama, Ecuador en Costa Rica (voor wie de gele vrucht een kwart van alle buitenlandse inkomsten betekent) in Madrid stevig zullen pleiten voor het afbreken van de heffingen en de quota die de EG voor dit produkt handhaaft. Spanje en Portugal hebben echter binnen de Gemeenschap juist een uitzonderingspositie voor hun eigen, dure producenten bedongen en willen na 1 januari voor de gemeenschappelijke markt een nog veel hogere toeslag op de import van buitenaf dan de twintig procent die de Europese commissie heeft voorgesteld. “De Amerikanen zijn onze geliefde neven en nichten”, zei de Spaanse staatssecretaris Inocencio Arias daarover onlangs. “Maar de bananenplanters op de Canarische eilanden zijn nu eenmaal onze broeders.”

De ministers van buitenlandse zaken van de deelnemende landen hebben vandaag de laatste hand gelegd aan de slotverklaring die vrijdag zal worden uitgegeven. Daarin zal ook gesproken worden over politieke thema's als vrijheid van meningsuiting en democratie, zij het dat op aandringen van de Cubaanse afgevaardigde het bijvoeglijk naamwoord “parlementaire” is geschrapt. In Guadalajara koesterde premier Gonzalez nog de hoop in een als historisch bedoeld gesprek met Fidel Castro een toezegging voor ingrijpende hervormingen op Cuba los te krijgen. Dat werd een mislukking en deze keer heeft Gonzalez zich dan ook voorgenomen alleen maar een vriendelijke gastheer te zijn.