Rabin verrast met bliksemdiplomatie

TEL AVIV, 22 JULI. De bliksemdiplomatie van de Israelische premier Rabin geeft de in de oppositie teruggeworpen nationalistische partijen het nakijken.

“Het snelle zwaard” werd Israels verbluffende zege op Egypte, Syrië en Jordanië tijdens de Zesdaagse Oorlog in juni 1967 genoemd. Niemand, zeker niet de Egyptische president Hosni Mubarak, is vergeten dat Yitzhak Rabin toen Israels opperbevelhebber was, alhoewel de zege werd opgeëist door de charismatische minister van defensie in die dagen, Moshe Dayan.

Rabin onderscheidt zich niet alleen door zijn voor Israelische begrippen razendsnelle kabinetsformatie, maar ook in het scheppen van een vredessfeer. Nog maar nauwelijks aan de macht, heeft hij de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken James Baker bijna drie dagen in Jeruzalem ontvangen, heeft hij in Kairo gisteren anderhalf uur onder vier ogen gesproken met president Mubarak en staat hem in de eerste helft van augustus een hartelijke ontvangst op het Witte Huis te wachten.

Tijdens de verkiezingscampagne beloofde Rabin het Israelische volk als premier snel op een vergelijk met de Palestijnen te zullen aansturen en de nationale prioriteiten drastisch te zullen bijstellen. Van een totale bevriezing van de nederzettingenpolitiek kan nog niet worden gesproken, maar erg ver is Rabin niet van deze Amerikaanse (en Arabische) eis verwijderd.

Met deze pijlsnelle politieke en diplomatieke ontplooiing van een nieuw tijdperk zegt Rabin gestalte te geven aan de verkiezingsuitslag van 23 juli. Graag had hij de nationalistische Tsomet-partij in zijn regering gehad om met een rechtse rugdekking zijn verzoeningspolitiek jegens de Palestijnen en de Arabieren te kunnen uitvoeren. De feiten wijzen tot dusverre uit dat het ook zonder Tsomet in de regering lukt. Met zoveel veranderingen in de lucht blijft de straat rustig. Van demonstraties tegen het regeringsbeleid, zelfs tegen de vrijwel totale bevriezing van de nederzettingenpolitiek, is nog geen sprake.

Dezelfde apathie die zo kenmerkend was tijdens de verkiezingscampagne manifesteert zich ook nu. Likud kan het volk niet tegen de regering-Rabin mobiliseren, waarschuwde gisteren Likuds oud-voorzitter van de parlementscommissie voor buitenlandse zaken en defensie, Eliyahu Ben Elisar, de lobby voor Erets-Israel, het land van Israel. “Het volk is op de hand van Rabin”, waarschuwde hij.

Pag 4: Palestijnse kwestie nu direct op Israelische tv

Advertenties plaatsen voor demonstraties is een gemakkelijke zaak, maar voor lege pleinen en zalen spreken is frustrerend. Eliyahu Ben Elisar gaf de lobby voor Erets-Israel daarom de raad de nadruk te leggen op de parlementaire strijd, op het indienen van moties van wantrouwen om aan de basis van de regering te tornen.

De verkiezingsuitslag van nauwelijks een maand geleden heeft de Palestijnse kwestie gisteravond voor de eerste keer rechtstreeks op het tv-scherm in de huiskamers gebracht. In een van de populairste tv-programma's werd Zyad Abu Zyad, lid van de Palestijnse delegatie naar het vredesoverleg, geïnterviewd, samen met een woordvoerder van Gush Emoniem, het nationalistische blok der getrouwen. Daarmee werd het verbod Palestijnen te interviewen in de prullenbak gegooid. De Gush-Emoniemer beklaagde zich er over dat de Israelische tv voor de eerste maal een terrorist spreektijd op de magische buis gaf. “Die man hoort in de bak thuis”, zei hij, terwijl de Palestijn strak voor zich uitkeek. Zyad Abu Zyad op zijn beurt richtte zich in begrijpelijke vredestaal in voortreffelijk Hebreeuws rechtstreeks tot het Israelische volk.

Natuurlijk willen wij een onafhankelijke Palestijnse staat, naast Israel, betoogde hij. Om dat doel te bereiken leek hem een overgangstijd van vijf jaar waarin de Palestijnen zelfbestuur genieten als een vertrouwenwekkende maatregel een goed idee om “elkaar met elkaar te leren leven”. Uiteindelijk ziet hij een economische eenheid tussen Israel, de Palestijnse staat en Jordanië als een onvermijdelijkheid, terwille van de volken in dit voormalige Britse mandaatgebied. “We moeten van Europa leren dat kleine landen moeten samenwerken.”