Mijn zolen

Ik zet mijn schoenen op de toonbank en leg de kassabon ernaast. Ik zeg: “Toen ik deze schoenen kocht, heb ik gevraagd of ze verzoold konden worden en volgens u waren de zolen onverslijtbaar.”

Mijn opponente is klein van stuk, maar beschikt over een dreigend gemoed, plus een fonkelbril, plus een ratelstem. “Ach meneer”, zegt ze, “dat zijn toch bakerpraatjes, onverslijtbare zolen bestaan niet. Bovendien, die zolen zijn niet versleten, daar zit alleen maar een scheur in.”

Ik zeg: “Het punt is, dat ik ermee naar de schoenmaker moet.”

“Ach meneer”, zegt zij, “ik moet elke veertien dagen naar de schoenmaker, elke veertien dagen nieuwe hakjes, en ik draag echt de beste schoenen die er zijn.”

Ik zeg: “Het punt is, dat ik geen driehonderd gulden betaal voor schoenen, die al na een halfjaar verzoold moeten worden.”

Nu snuift ze even. Dat van dat geld, dat had ik erbuiten moeten laten, het is gewoon niet netjes om in relatie tot schoenen over geld te beginnen.

“Ach meneer”, zegt ze, “u hebt die schoenen al een halfjaar en nog nooit een reparatie gehad? Dat is toch prachtig!”

Ik zeg: “U kunt mooi praten, maar ik kom hier niet meer terug.”

“Ach meneer”, zegt zij, “dat geeft niet; ik wil alleen maar tevreden klanten.” In een handomdraai verandert ze mijn vertrek in een verbanning. Je zou zeggen: zo'n vrouw heeft capaciteiten die een schoenwinkel ver te boven gaan.