Magistraten zijn de grootste vijand van mafia-bestrijders; "Er is niemand meer die ons werk kan coördineren'

ROME, 22 JULI. De brute mafiamoord op rechter Borsellino, nog geen twee maanden na die op Giovanni Falcone, wordt door veel antimafiarechters in Palermo beleefd als het einde van een tijdperk. Voor de kathedraal waar de vijf lijfwachten van Borsellino werden begraven ging een groot spandoek omhoog met de tekst: “Jullie hebben ze niet vermoord, hun ideeën zullen op onze benen verder lopen.” Maar elders in Palermo lieten officieren van justitie weten dat zij het bijltje erbij neergooien, in een mengeling van persoonlijke angst, woede en frustratie.

Er is niemand meer die ons werk kan coördineren, zei Ignazio Morvillo, broer van de eveneens vermoorde vrouw van Falcone en officier van justitie. “Wij zijn geen Falcone of Borsellino. Om je in deze stad bezig te houden met de georganiseerde misdaad en onderzoek te doen naar Cosa Nostra zijn voorwaarden nodig die nu niet bestaan.”

Meer dan 300 mafiosi zijn in Palermo veroordeeld, onder wie kopstukken als Michele Greco en Francesco Madonia. Het was het resultaat van jaren hard werken van rechters als Falcone, Borsellino en Giuseppe Ayala, onlangs overgestapt naar de politiek, de Republikeinse partij.

De veroordelingen droegen bij tot de "Palermitaanse lente'. Op het stadhuis was een burgemeester gekomen, Leoluca Orlando, die deed waar veel Palermitanen al jaren om riepen: absolute prioriteit geven aan de strijd tegen de mafia. Traditionele scheidslijnen tussen partijen en gevestigde procedures moesten hiervoor wijken. Palermo leek, met zijn rechters en zijn burgemeester, het laboratorium voor een vernieuwingsbeweging die zich vanuit Sicilië over de rest van Italië zou verspreiden.

Maar in de afgelopen vijf jaar is er veel kapotgemaakt. Onder regie van ex-premier Giulio Andreotti is Orlando weggewerkt door zijn eigen christen-democratische partij, ondanks een enorme persoonlijke zege bij de lokale verkiezingen; hij heeft vorig jaar een eigen antimafiapartij opgericht. Opperrechter Corrado Carnevale, president van het Hof van Cassatie, vernietigde tot frustratie van de rechters die hun leven hadden gewaagd en in in bunkers woonden, het ene vonnis tegen de mafia na het andere. En langzaam, stap voor stap, werd de "pool' van antimafiarechters die zulke grote successen hadden geboekt, afgebroken.

Dat is allemaal gebeurd zonder dat de mafia hieraan een kogel hoefde te verspillen. De moord op Falcone en op Borsellino lijkt de kroon op dit werk: de twee wandelende bibliotheken over de mafia, de twee rechters die beter dan wie ook de mafia begrepen omdat ze er tussenin waren opgegroeid en die, soms tegen beter weten in, bleven volhouden, zijn uitgeschakeld. Niemand weet wie het van hen moet overnemen.

Falcone heeft wel eens gezegd dat zijn grootste vijanden te vinden waren onder zijn eigen collega-rechters. “De ware vijand van de antimafia is in mijn ogen de bureaucratische opstelling, het verzet van een kaste, het gebrek aan initiatief” bij veel rechters, zo heeft Falcone gezegd.

Tientallen keren heeft de Opperste Raad voor de Magistratuur, de CSM, zich verzet tegen voorstellen die waren bedoeld om de mafia effectiever te bestrijden. Falcone heeft zijn collega-rechters nooit beschuldigd van heulen met de mafia, maar hij zei dat de CSM vaak een misplaatst beroep doet op haar eigen autonomie en op wettelijke garanties.

Met die argumenten heeft de CSM zich bijvoorbeeld lang verzet tegen de oprichting van een afdeling van het openbaar ministerie die zich uitsluitend met de mafia bezighoudt: de regering zou zo de rechterlijke macht kunnen beïnvloeden, waaronder in Italië ook het openbaar ministerie valt. Daarom heeft het jaren geduurd voordat de rechters konden worden verplicht naar Sicilië te gaan om daar het tekort bij de justitie mee op te vangen. Niet de strijd tegen de mafia stond voorop, maar de bescherming van de eigen privileges en voorrechten.

Eenzelfde formalisme was zichtbaar bij de vraag wie eind jaren tachtig de nieuwe chef moest worden van de antimafiapool. Voor iedereen was duidelijk dat Falcone de meestaangewezen kandidaat was, maar de CSM verkoos iemand met net wat dienstjaren meer - dat hij helemaal geen ervaring had in de strijd tegen de mafia was minder belangrijk.

Dat was het begin van het einde van de pool, het meest effectieve wapen dat tot dan toe tegen de mafia was ingezet. De gedachte erachter was dat de mafia op zoveel terreinen aanwezig is en zo'n netwerk van belangen heeft gevlochten in Sicilië dat de rechters hun onderzoeken beter moeten coördineren. En een praktisch argument was: ze kunnen één rechter doodschieten, maar dan is er wel een collega uit de pool die dezelfde informatie heeft en al de volgende dag het onderzoek kan voortzetten.

Rechter Rocco Chinnici was ermee begonnen, maar hij werd in 1983 vermoord, met een autobom. Antonino Caponnetto nam de fakkel over, maar hij zei maandag in tranen, na de moord op zijn twee belangrijkste pupillen: “Het is voorbij.”

Falcone werd langzaam op een zijspoor gezet. De man die alles wist van de mafia, die als geen ander mafiosi aan de praat wist te krijgen omdat hij hun respect en vertrouwen had, moest zich af en toe gaan bezighouden met autodiefstallen en andere kleine misdaden.

Een anonieme schrijver, die later is ontmaskerd als een collega-rechter, begon lasterbrieven te schrijven tegen Falcone en tegen Ayala. Het Paleis van Justitie kreeg eind jaren tachtig de bijnaam "het gifpaleis', zo onwerkbaar was de sfeer geworden. De grote Siciliaanse schrijver Sciascia droeg bij tot deze sfeer met zijn uithalen naar de “beroeps-mafiabestrijders”, die volgens hem alleen maar uitwaren op persoonlijke glorie. Zelden heeft een uitlating zo'n verwoestend effect gehad. Dankbaar nam een gefrustreerde Falcone vorig jaar de uitnodiging van de nieuwe minister van justitie Martelli aan om vanuit Rome de mafiabestrijding te coördineren.

Maar de voorganger van Martelli heeft werkloos toegekeken terwijl in Palermo de "antimafia' werd afgebroken. Herhaalde oproepen om de mafia met dezelfde intensiteit te bestrijden als een decennium eerder met het terrorisme is gebeurd, bleven onbeantwoord. Pas na de aanslagen op Falcone en Borsellino is er enige actie zichtbaar, maar nog veel te weinig om te kunnen praten van een waar antimafia-offensief. Veel rechters en agenten in Sicilië blijven het gevoel overhouden dat ze er alleen voor staan.

In zijn vorig jaar verschenen boek over Cosa Nostra dat min of meer zijn testament is geworden, zei Falcone dat iedere rechter op zijn bureau de spreuk moest hebben: “We kunnen altijd iets doen”, ondanks alle problemen, ondanks alle tegenwerking. Na de moorden op Borsellino en Falcone raken steeds meer rechters het geloof daarin kwijt.