Iraanse regering raakt in de verdrukking; "Is reclame voor bananen en tomaten belangrijker dan propaganda voor islamitische waarden?'

Islamitische leuzen en uitspraken van wijlen de Opperste Leider, imam Khomeiny, worden sinds kort weer op de muren van de Iraanse hoofdstad gekalkt. Het afgelopen jaar waren die uit het straatbeeld van Teheran weggepoetst in opdracht van de ambitieuze, technocratische burgemeester en, als teken van de nieuwe tijden, vervangen door reclameborden. “Is reclame voor bananen en tomaten belangrijker dan propaganda voor islamitische waarden”, vraagt een nieuwe tekst.

Nee natuurlijk, antwoordde vorige week Irans Opperste Leider, ayatollah Khamenei, die tot taak heeft president Rafsanjani's beleid geestelijk te rechtvaardigen. “Sommige mensen hebben opbouw verward met materialisme.” En materialisme is slecht, dat is “het volgen van wellust: denken aan het opstapelen van rijkdommen en toegeven aan de wellustige wegen van de wereld en onze aspiraties vergeten”. Khamenei beschreef dit in een opmerkelijk harde toespraak als een groot gevaar voor de islamitische maatschappij. Maar God zij dank is, aldus Khamenei, “een revolutionaire en vrome president aan de macht”.

Dit voorjaar leek de grote verkiezingsoverwinning voor de pragmatische vleugel in Iran de basis te leggen voor Irans terugkeer als een economische en politieke regionale macht onder het onbetwiste leiderschap van president Ali Akbar Hashemi Rafsanjani. De radicalen met hun centraal geleide economie en hun agressieve buitenlandse politiek waren uit de weg. Nu zouden de broodnodige buitenlandse investeringen eindelijk toestromen. Rijke Iraanse ballingen zouden in groten getale met hun fortuinen terugkeren. Met al dat geld zou de wederopbouw na oorlog en revolutionair wanbeleid met kracht ter hand worden genomen en de basis worden gelegd voor een gelukkig en machtig Iran: “een zeer grote mogendheid in de regio zonder enige rivaal”, zoals Rafsanjani het heeft uitgedrukt.

In plaats daarvan morren de miljoenen armen, de Mostazafin (onterfden), die alles te verwachten hadden van de Islamitische Revolutie maar in werkelijkheid steeds verder zijn verarmd, en nu des te sneller door de voortdurende prijsstijgingen die Rafsanjani's economische hervormingen met zich meebrengen. Kleine incidenten zijn al verscheidene malen in gewelddadige massademonstraties ontaard - zó gevaarlijk dat de regering ze met executies heeft beantwoord. Tegelijk zijn bazaar en conservatieve geestelijkheid in het offensief gegaan tegen de “Westerse culturele invasie en al haar corrupties en uitingen” en in één adem tegen concessies aan buitenlandse investeerders. Kranten hebben nauwelijks verhuld kritiek geleverd op Rafsanjani's pragmatische politiek. De verzetsbeweging Mujahedeen-Khalq, in Iran zelf overigens geen factor van betekenis, heeft onder Westerse parlementariërs een succesvolle campagne gelanceerd tegen het regime. Het resultaat is dat de regering een heel andere toon is gaan aanslaan; ze is overduidelijk in het defensief.

Dances with Wolves, de eerste Amerikaanse film die in Iran mag worden vertoond, trekt nog volle zalen. Maar hoe lang nog? Hojatoleslam Khatami, wiens relatief liberale bewind als minister van islamitische cultuur en leiding de vertoning van Dances with Wolves heeft mogelijk gemaakt, is vorige week zelf opgestapt. In zijn ontslagbrief, die zaterdag door de Iraanse pers werd gepubliceerd, verklaart hij zijn aftreden uit “de opkomst van een reactionaire, stagnerende geest en het klimaat van onzekerheid dat meer en meer de culturele activiteit (in Iran) in zijn greep krijgt”.

Ook de vrouwen van het welgestelde noorden van Teheran merken de omslag: revolutionaire eenheden zijn weer op pad gestuurd om toe te zien op strikte naleving van de islamitische kledingvoorschriften, nadat langzaam maar zeker de hoofddoeken wat waren afgezakt en lippenstift en oogmake-up een come-back hadden gemaakt.

De kwestie-Rushdie, die andere betrouwbare barometer van het Iraanse politieke klimaat, is weer aan de orde gesteld. Het doodvonnis tegen Rushdie wegens zijn als godslasterlijk beschouwde boek De Duivelsverzen is een van de hindernissen die buitenlandse investeringen in de weg staan, en de regering zou de zaak dolgraag doodzwijgen. Maar het nieuwe Iraanse parlement bezwoer eind vorige maand dat “alle moslims (..) in de wereld de plicht hebben het decreet uit te voeren”. En de invloedrijke ayatollah Jannati juichte bij het horen van “het nieuws dat de regering van Engeland geleidelijk Salman Rushdie naar de voorgrond brengt en hem in de schijnwerpers plaatst. Wat een groot nieuws! Werkelijk! Ik breng goed nieuws voor allen die lange tijd op hem hebben zitten wachten (..) Als God het wil zal de muur om hem heen instorten zodat zij hun uiteindelijke doel kunnen verwezenlijken (..) Als ze succes hebben - en als God het wil hebben ze dat - zal die executie een grote overwinning zijn”. Een Britse delegatie is vorige maand toch maar niet naar Iran gereisd, en vervolgens heeft een groot aantal Lagerhuisleden zijn steun voor de Mujahedeen-Khalq uitgesproken. Nu is een Britse diplomaat uitgewezen, en het heeft er alle schijn van dat een verdere escalatie op het programma staat.

De regering staat met de rug tegen de muur, belaagd door aan de ene kant de armen en aan de andere kant conservatieve groepen binnen de Bazaar, de machtige handelsklasse, en de geestelijkheid, waarvan Jannati een exponent is, die direct na de verkiezingen in het offensief zijn gegaan. Deze conservatieven moeten niets hebben van de socialistische ideeën van de radicale factie die het parlement tot mei domineerde, en steunen Rafsanjani tot op zekere hoogte in zijn streven naar een vrije-markteconomie: via de Raad van Hoeders van de Grondwet, die zij beheersen, hebben zij door de revolutionaire jaren heen alle door het parlement aangenomen wetten met een linkse signatuur - landhervorming, invoering van een minimum-loon, nationalisatie van de buitenlandse handel - tegengehouden.

Maar zij moeten evenmin iets hebben van de culturele liberalisering die Rafsanjani en zijn technocraten hebben toegelaten om de buitenlandse investeerders op hun gemak te stellen, om ballingen naar huis te lokken, om het vertrouwen te winnen van de middenklasse. In het verlengde daarvan verzetten zij zich met hand en tand tegen het verlangen van de regering buitenlandse investeerders meer mogelijkheden te geven, door de grondwettelijke limiet op buitenlandse investeringen te verruimen of zelfs af te schaffen en de buitengewoon onvoordelige handelswisselkoers op het niveau te brengen van de realistische koers voor particuliere transacties. “Westerse dominantie”, roepen zij, “ondermijning van de fundamenten van de Islamitische Republiek.” Zij verzwijgen dat de coëxistentie van de verschillende wisselkoersen veel handelaars aanzienlijk profijt heeft opgeleverd.

De morrende armen op hun beurt, geconfronteerd met scherp stijgende prijzen voor goederen en diensten ( de inflatie wordt op 40 procent geschat) en een groeiende woningnood, worden gepaaid met het eerherstel voor revolutionaire krachten als de Basseej, vrijwilligersmachten uit de onderste lagen van het volk die tijdens de oorlog tegen Irak zowel aan het front als ter bewaking van de revolutie een belangrijke rol hebben gespeeld. Deze groepen, die met hun vaak eigenmachtig optreden niet pasten bij het pragmatische gezicht van het nieuwe Iran, waren na de oorlog tegen Irak en de dood van Khomeiny geleidelijk onschadelijk gemaakt.

In mei verzekerde opperrechter ayatollah Mohammad Yazdi nog dat “niemand boven de wet staat”, ook al “wil hij dichter bij God komen”. “Als het land (..) succesvol wil zijn in zijn taken, moet de wet heersen.” Maar nu hebben de Basseej en de hezbollahi, de partijgangers Gods - alle min of meer informele krachten - een belangrijke rol gekregen bij de handhaving van de orde, specifiek ook om verdere demonstraties te voorkomen. En ze worden in elke belangrijke toespraak waarderend vermeld.

En zo zit de regering in een afgrijselijk parket. Rafsanjani is ervan overtuigd dat hij de Iraanse revolutie alleen kan redden door zijn economische hervormingen, door de industrie te privatiseren, buitenlands geld aan te trekken en nog meer kostbare subsidies af te schaffen. In zijn toespraak tijdens het jongste Vrijdaggebed bij de Universiteit van Teheran heeft hij dat nog eens geduldig uitgelegd. “Als goederen goedkoop zijn wegens ons werk, is dat goed, maar als ze goedkoop zijn omdat we dat subsidiëren met onze olie, is dat slecht”, zei hij en wees erop hoe gesubsidieerde tractoren, vrachtwagens en medicijnen onmiddellijk naar het buitenland werden doorverkocht. Zijn ministers verzekeren dat grootscheepse buitenlandse investeringen ook zonder amendement op de grondwet mogelijk zijn: als het maar geen monopolies worden, aldus de minister van industrie.

Tegelijk moet de regering toestaan dat het Westen van alle kanten scherp wordt veroordeeld en krijgen revolutionaire krachten de ruimte in een radicaliserend klimaat. En daarvan zijn investeerders nu juist niet gediend.