Een prijs voor een poète maudit

Als er ooit een kunstenaar niet gedoodverfd was om een prijs te krijgen dan was het wel de Hagenaar Gerard Fieret. Natuurlijk: hij heeft honderden prachtige gedichten gemaakt en nog veel meer intrigerende foto's, zijn verzen zijn gebundeld en zijn foto's zijn ooit geëxposeerd in musea in Amsterdam, Den Haag en Eindhoven. Maar dat is allemaal zo lang geleden dat de meeste mensen niet weten dat het hier om een uniek kunstenaar gaat.

Sinds jaar en dag neemt Gerard, een zelfgemaakte panfluit aan de mond, plaats achter zijn pet in een drukke straat in de Haagse binnenstad. Alles wat vervolgens in die pet terechtkomt wordt linea recta uitgegeven aan duivenvoer, dat met balen tegelijk bij zijn woning word afgeleverd. Iedereen in Den Haag kent hem als de man die zwaar beladen met zakken en emmers voer op zijn fiets de stad doorkruist op weg naar weer een vlucht duiven of, wat ook soms voorkomt, naar een gezellig biertje voor hem zelf.

Wat leuk is het dan te vernemen dat er nog verrassingen zijn als het om kunstprijzen gaat: naast Lotti van der Gaag, de beeldhouwster, is ook deze Gerard Fieret, de vergeten, ja gesmade kunstenaar, de Ouborgprijs 1992 van de gemeente Den Haag toegekend, groot tienduizend gulden. Voor dit late eerbewijs aan een onderschat talent zou de jury, onder voorzitterschap van Lily van Ginneken, met Rudi Fuchs en drie uitvoerend kunstenaars zelf een prijs verdienen.

Gerard Fieret, 68, is onderscheiden vanwege zijn fotowerk, dat “eigenzinnig en zonder enige behaagzucht” wordt genoemd. “De opnamen lijken geheel parallel te lopen met zijn dagelijkse leven en laten zich door zijn manier van kijken lezen als visuele gedichten”, aldus de jury.

Zijn foto's dateren voornamelijk uit de jaren zestig, toen hij, als tekenaar met opleiding kunstacademie, en als dichter, de camera ontdekte en losbarstte in een niet-aflatende stroom zwart-wit foto's: straattaferelen, theaterfoto's, zelfportretten en van vrouwen, vooral veel vrouwen. Bij tientallen wist hij genoeg vertrouwen te wekken om hem toe te staan hen in alle staten van kleding en ontkleding vast te leggen, daarbij een grote voorkeur aan de dag leggend voor het mooie been.

Er kwam een artikel in Fototribune, waarvoor deze nieuwkomer werd opgezocht in de voormalige Frederikskazerne, waar hij toen woonde: “Foto's overal. Honderden, duizenden brengt hij er te voorschijn uit her en der staande berstensvolle koffers. Binnen een kwartier waden we door de prenten, dit alles bij een penetrante geur van kattepis. "Een zwerfdiertje, het is doodziek', zegt Fieret ter verklaring. Maar er is meer dan chaos: er is ook talent. Dat blijkt door alle stoffige, gescheurde, verkreukelde en verkleurde foto's heen.” “Hier is sprake van een ietwat wild talent”, meende ik toen, in 1967, te kunnen constateren.

De directeur van het Leids Prentenkabinet, prof.dr. H. van de Waal, onderkende de kwaliteit van Fierets werk, en verdedigde de kunstenaar tegen veel scepsis in. Als beloning schonk Fieret het kabinet duizenden foto's, waarvan hij er vele net als een schilder aan de voorzijde heeft gesigneerd. Die liggen nu opgeborgen in tientallen loodzware portfolio's.

Fieret heeft het de laatste jaren niet gemakkelijk. Hij heeft steeds meer problemen om aan de eisen van de Nederlandse wooncultuur te voldoen. Weliswaar woont hij in de luxe wijk Benoordenhout, maar wel in een voormalig depot van de gemeentereiniging. Daar is hij niet alleen: een verzameling duiven, konijnen, ratten en muizen die bij binnenkomst alle kanten opstuiven, houdt hem gezelschap. Het wonderlijkste is dat hij er voor zichzelf nog een plaatsje weet vrij te houden.

De buitendeur is terdege vergrendeld, maar dat heeft kennelijk niet mogen baten: hij heeft een papier opgeprikt waarin opsporing wordt verzocht van onontwikkelde films, een handboog, een boemerang en vele pakken documentatie die onlangs bij hem zouden zijn ontvreemd. Fieret weet zich opnieuw het slachtoffer van wat vermoedelijk de "schrijversbende' is die het al vele jaren op hem zou hebben voorzien.

Fieret vertelt op welke ingenieuze wijze dat in zijn werk gaat: zijn belagers sturen onverdachte handwerklieden op hem af voor een zogenaamde reparatie in zijn woning. Eenmaal binnen ontpoppen zij zich als ordinaire dieven die er met zijn geestelijk eigendom vandoor gaan, zo is al sinds jaren zijn overtuiging. Hij laat niet na eenieder die het wil horen op de hoogte te stellen van het web van spionage dat hij om zich heen vermoedt en van de diefstallen van zijn literaire en fotografische schatten. Deze diefstallen zouden inmiddels hebben geresulteerd in grote roem voor anderen. Vooral de namen van de (overleden) fotograaf Sanne Sannes en schrijver-dichter Hugo Claus spelen in de verdachtmakingen een rol, zonder dat daar overigens een spoor van bewijs voor is. Maar hij zit er maar mee.

Men kan zich in Gerard Fieret gemakkelijk vergissen. Hij mag dan door al dat gesleep met voer soms ogen als een clochard, wanneer men met hem spreekt blijkt hij zich te uiten in prachtige zinnen, in een beschaafd, bijna bekakt Nederlands. Hij geeft dan, behalve van een overdosis wantrouwen in zijn kunstbroeders, ook blijk van grote eruditie. Zo was hij eens te horen als een van de zegslieden in de documentaire van de VPRO over de huisknecht-dichter Jan Arends, die hij als jongen al kende.

Gerard Fieret, poète maudit. “De mensen noemen me een crimineel, een kinderverkrachter, een provocateur. Ze zeggen: Gerard is gek, hij is paranoïde. En ze walgen van me. Vanwege mijn liefde voor dieren. De burgerlijke ambtenaren vinden het ook maar niks. Daarom kreeg ik dit rottige pand. Ze vertelden er niet bij hoe vochtig het is. Ze denken: we hebben het gedrocht waar het thuishoort”, zo zei hij enkele jaren geleden in een interview in De Tijd.

Er staat Fieret ineens veel te wachten. Het Prins Bernhard Fonds wil een boek met foto's van hem doen uitgeven en cineast Jacques Meijer, die al in de jaren zestig een film van hem maakte, zoekt naar mogelijkheden voor een actueel vervolg. Fieret zelf: “Ik ben een beetje paranoïde. Toen ik dat van die prijs hoorde dacht ik natuurlijk: ik word bedrogen. Maar het schijnt waar te zijn.”