De correcties van mevrouw Couperus

Louis Couperus had een slordige hand van schrijven. De zetters hadden problemen met zijn kladhandschrift en om tijd te winnen liet hij zijn vrouw Elisabeth soms een nette versie schrijven. Ze veranderde af en toe wat in de tekst, blijkt uit deze zevende aflevering van de serie over het handschrift.

Louis Couperus schreef op 27 mei 1902, na het verschijnen van De kleine zielen en Het late leven - de eerste twee boeken van De boeken der kleine zielen - aan zijn nichtje Marie Vlielander Hein: "De laatste scène van Boek 1 was heel heel lastig en is, geloof ik wel goed geworden. (....) Enfin, het is een moeilijk boeltje geweest, en de leek, die misschien zegt: Couperus maakt er zich nu eens gemakkelijk van af - gewone mensen, gewone woorden - en niet meer tooveratmosfeer [...] weet er niets van!!'

De mogelijkheden om een tekst te redigeren en te bewerken zijn in de afgelopen honderd jaar sterk uitgebreid. In de tijd dat het machinaal kopiëren van teksten nog onbekend was, was iedere versie van een tekst het produkt van nauwkeurig en tijdrovend schrijfwerk. Zo werden aan het begin van deze eeuw de boeken van Couperus gezet aan de hand van de met paarse inkt beschreven gelinieerde foliovellen die Couperus zijn uitgever, L.J. Veen in Amsterdam, toezond.

Deze foliovellen bevatten doorgaans het nethandschrift dat door Couperus of zijn vrouw Elisabeth overgeschreven was van een kladversie. Omdat het overschrijven Couperus veel tijd kostte liet hij het soms over aan Elisabeth. Veen liet zonder veel omhaal het nethandschrift zetten, en stuurde Couperus de drukproeven voor correctie.

Vanwege tijdgebrek of ziekte van Elisabeth, was er niet altijd een nethandschrift aanwezig. Dan moest een kladhandschrift als kopij dienen en dat plaatste de zetters, vanwege het moeilijk te lezen handschrift van Couperus, vaak voor problemen. Couperus kon zich ontzettend opwinden over fouten in de drukproeven die hij de zetters verweet maar die meer dan eens van hemzelf afkomstig bleken.

Couperus was zeer gevoelig voor de naar zijn opvatting onvergeeflijke fouten in de drukken. In brieven aan Veen trok hij fel van leer tegen iedereen die invloed wilde uitoefenen op zijn teksten.

Door de uitgave van de Volledige Werken Louis Couperus - verzorgd door het Constantijn Huygens Instituut - die sinds 1987 bij uitgeverij Veen verschijnt is het mogelijk een beeld te krijgen van de wijzigingen die in de handschriften en drukproeven gemaakt werden. Zo zijn van De kleine zielen - het boek dat de tragische neergang van de Haags-Indische familie Van Lowe beschrijft - zowel het kladhandschrift als het nethandschrift bewaard gebleven. Interessant is dat het nethandschrift van het tweede deel gedeeltelijk is geschreven door Couperus en gedeeltelijk door Elisabeth. Couperus schreef er over aan Veen: 'de moeilijkheid is het copieeren, mijne vrouw laat mij in de steek, ik ben bang dat het hare oogen wat vermoeit'.

Het kladhandschrift van De kleine zielen wijkt sterk af van de tekst van het boek dat in 1901 bij Veen werd uitgebracht. De veranderingen zijn voor het grootste deel in het nethandschrift gemaakt want de gepubliceerde tekst verschilt nauwelijks van het nethandschrift. Het is verleidelijk om te concluderen dat waar in het nethandschrift van Elisabeth een verandering optreedt, deze verandering door Elisabeth zou zijn bedacht. Maar hoewel zij voor Veen onder meer D'Annunzio en Oscar Wilde vertaalde, heeft de overlevering haar niet als een eigengereide literator laten kennen.

Bij een vergelijking van de handschriften van een ander boek, Langs lijnen van geleidelijkheid, blijkt wel dat Elisabeth graag aan het Frans ontleende woorden vertaalde in het Nederlands. Voorbeelden zijn onder andere de veranderingen "étage' in "verdieping' en "educatie' in "opvoeding'. Soortgelijke voorbeelden zijn ook in De kleine zielen te vinden, andere veranderingen lijken saillanter.

Naast een groot aantal kleine varianten die de betekenis van de tekst niet benvloeden toont Elisabeths nethandschrift ook een aantal opmerkelijke veranderingen. Haar voorkeur voor Nederlandse equivalenten van Franse woorden lijkt ook voor Engelse woorden op te gaan, "sandwiches' is bij voorbeeld veranderd in "boterhammetjes'. Dat Elisabeth de hoofdpersoon Addy op het "Gymnasium' terugschrijft van de "derde klasse' naar de "tweede klasse' wordt door Couperus in de druk weer gecorrigeerd. Een ander belangrijk personage, Henri van der Welcke, wordt in het kladhandschrift nog beschreven als "hoe ingehouden ook, nerveus van natuur' maar blijkt in het nethandschrift "van natuur opvliegend'. Het gaat te ver om te zeggen dat Elisabeth een duidelijke stempel heeft gedrukt op het tweede deel van De kleine zielen, maar de veranderingen die zij aanbracht doen vermoeden dat zij zeker een invloed had op Couperus.

Daarbij zijn een aantal varianten behalve letterkundig interessant ook komisch. Wanneer Couperus een trein beschrijft en deze in het kladhandschrift treffend "dóek-dóek-dóek-dóek-doek-doek-doek-doek' laat uitstoten, blijkt de trein in de druk nog maar "doek-doek-doek-doek' te laten horen. Was acht maal "doek' Elisabeth wellicht een beetje veel van het goede en is er in Huize Couperus driftig gediscussieerd over deze kwestie? En wees zij Couperus erop dat "zwiepende' eigenlijk "zweepende' moest zijn, dat voor "snerpend en knerpend' ook "snerpend' alleen wel voldeed? Duidelijk lijkt dat de redactionele inspanningen van Elisabeth nooit de erkenning hebben gekregen die ze verdienden. En er is te weinig over Elisabeth bekend om een onderzoek naar haar leven en werk te verwachten. Dat is jammer want in de weinige gevonden brieven van haar hand komt ze naar voren als een vrouw met een duidelijk gevoel voor stijl en wekt ze een sympathie die Couperus zelf maar sporadisch weet op te wekken.

In 1916 verklaarde Couperus De kleine zielen te rekenen tot het kleine gedeelte van zijn werk waarvan hij nog steeds "werkelijk' hield. Elisabeths werk voegde een interessante dimensie toe aan het boek en dit zal de fantasie van tekstvorsers nog geruime tijd blijven prikkelen. Desalniettemin laat de laatste en meest indrukwekkende verandering in het boek onmiskenbaar de hand van een ervaren romancier zien. In het kladhandschrift eindigde Couperus de laatste scène van Boek 1 met Addy's innerlijke schreeuw: "Laffe menschen...Làffe menschen...kleine zielen!! In het veranderde slot zou Couperus Addy in gedachten laten verzuchten: "Het is alles om niets'.