Uitkleding van de verzorgingsstaat

"Europa '92' verschaft het alibi voor ingrepen in de sociale zekerheid onder de noemer beleidsconcurrentie. De integratie van de markten van de twaalf lidstaten tot één gemeenschappelijke markt met een gemeenschappelijk monetair beleid kan worden gezien als een poging vrij spel te geven aan de ongeremde werking van het marktmechanisme. Wil deze operatie slagen dan zullen er zo weinig mogelijk belemmeringen moeten zijn in het economische proces dat de Europese gemeenschap in staat moet stellen te concurreren met Japan en de Verenigde Staten. Er zal niet aan te ontkomen zijn dat de verschillen in nationaal sociaal-economisch beleid die tot ongelijke concurrentievoorwaarden leiden op de duur worden glad gestreken.

Het begint inmiddels duidelijk te worden dat dit kansspel niet alleen maar winnaars zal opleveren. De verplichtingen die het Verdrag van Maastricht voor de vorming van de Economische en Monetaire Unie aan de lidstaten oplegt zullen harde, voor sommige landen deflatore gevolgen hebben. Er zullen geen vijf miljoen banen worden geschapen zoals het optimistische rapport van de commissie-Cecchini in het vooruitzicht stelde, maar het gevaar bestaat dat er in vele landen, vooral in Zuid Europa, grote werkloosheid zal ontstaan.

Robert Pelletier, lid van de groep werkgevers in het Economisch en Sociaal Comité van de EG, schrijft in Le Monde dat het voor de Fransen niet erg lang verborgen kan worden gehouden dat de politiek die door "Maastricht' wordt opgediend onder de liberale vlag van de terugkeer naar de markteconomie, in feite het meest reactionaire model van de laatste zestig jaar is.

De Denen hebben niet voor niets neen gezegd tegen dat verdrag. Met hun hoog ontwikkelde verzorgingsmaatschappij hebben zij immers nogal al wat te verliezen.

Nederland heeft misschien nog meer reden om te vrezen voor drastische ingrepen in zijn sociale zekerheidsstelsel. De collectieve lastendruk is immers zeker zo hoog als in Denemarken. Het verschil tussen de loonkosten en het netto loon (de wig) is in weinig landen zo groot als in Nederland. We nemen in Europa een koppositie in met de uitgaven voor sociale zekerheid. Het verschil tussen loon en sociale uitkeringen is nergens zo klein als in ons land.

De te verwachten concurrentie op de Europese eenheidsmarkt vergroot de prijsgevoeligheid van zowel export als import van de afzonderlijke lidstaten. Beheersing van de loonkosten wordt een noodzakelijke voorwaarde om de concurrentiepositie in stand te houden. Door verlaging van de collectieve lastendruk kan de overheid de indirecte loonkosten verminderen. Wanneer de belasting- en premiedruk moet worden verlaagd, zoals werkgevers en het Centraal Planbureau bepleiten, wordt in feite aangedrongen op een verlaging van de sociale uitkeringen.

Een ander argument om te bezuinigen op sociale zekerheidsuitgaven kan worden gevonden in de redenering dat ondernemers alleen dan gunstige vestigingsvoorwaarden in ons land kunnen worden aangeboden als de arbeidskosten worden verlaagd. Dit is een reden te meer om de sociale lasten te verminderen.

Het lijkt onvermijdelijk dat het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid wordt aangepast aan de eisen die de Europese economische eenwording zal stellen. Het kabinet-Lubbers/Kok is daar al volop mee bezig. De voorstellen voor wijziging van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen houden in dat de polisvoorwaarden in overeenstemming worden gebracht met die in andere EG-landen. De toelatingsdrempels worden opgehoogd en de uitkeringsvoorwaarden verscherpt.

Een andere aanpassing geldt de Algemene Bijstandswet. De voorstellen van staatssecretaris Ter Veld houden in dat het recht op uitkering wordt verbonden met de plicht om werk te zoeken.

Ook andere pijlers van onze verzorgingsstaat worden ondermijnd. Het niveau van het minimumloon en de daaraan gekoppelde sociale minimumuitkeringen staat ter discussie. Het ministelsel sociale zekerheid wordt door sommigen gezien als een belangrijke bijdrage tot verlaging van de collectieve uitgaven. De werkgevers zouden het liefst de regelingen voor vervroegd uittreden (Vut) willen afschaffen. Ook de pensioenregelingen staan onder toenemende druk. Er is allerminst reden om gerust te zijn op de handhaving van de AOW als laatste hoeksteen van onze sociale zekerheid. Er wordt al over gedacht om de AOW, net als de Algemene Nabestaandenwet, inkomensafhankelijk te maken en de fiscale aftrekbaarheid van de AOW-premie af te schaffen.

Europa '92 betekent voor Nederland uitkleding van de sociale zekerheid. Misschien ontkomen we niet aan het scenario "balanced growth' dat het Centraal Planbureau heeft uitgestippeld en dat, na de volledige ontmanteling van de Nederlandse verzorgingsstaat, zal uitlopen op een basisinkomen voor alle volwassenen.