Kousbroeks Grote Gelijk Maatstaf 1992-6. De ...

Kousbroeks Grote Gelijk Maatstaf 1992-6. De Arbeiderspers, 95 blz.ƒ15

Zweet, bloed en suiker Le Serpent à Plumes no.15. 44 blz.75F. 78, rue du Bac - 75007 Paris

Nederland verloedert De Gids, 155ste jrg.nr.6. Meulenhoff, 77 blz.ƒ14,90

Kousbroeks Grote Gelijk

“Overtuigdheid van eigen gelijk. Vette klodders hoon voor iedereen die zijn "gelijk' aanvecht. Hautaine minachting voor andermans opvattingen. En niet te vergeten kilo's schijnheiligheid.”

Jeroen Brouwers herneemt zijn polemiek met Rudy Kousbroek in het nieuwe nummer van Maatstaf, "Uit het hiernamaals'. Het gaat, uiteraard, om Kousbroeks boek Het Oostindisch kampsyndroom dat Brouwers “een structuurloos zootje in de loop der tijden afgescheiden krantestukken over Indië” noemt. “Het barst van de herhalingen, tegelijkertijd implodeert het van de lacunes. (-) Zijn Oostindische lappendeken scheurt van tendentieusheden en verdachtmakerij”.

Brouwers' belangrijkste verwijten zijn: Kousbroek bundelde oude stukken, zonder ze waar nodig te herzien en er een "coherent geheel' van te maken; hij baseert zich niet op historische, "wetenschappelijk onverdachte' feiten maar op romans en verhalen; hij is te sterk overtuigd van zijn eigen gelijk; hij denkt ten onrechte dat Brouwers rancune koestert over Kousbroeks felle aanval op zijn roman Bezonken rood uit 1981; en hij beschrijft zijn eigen kampervaringen aldoor maar niet. “Hij krijgt het niet op papier, want het onderwerp vervult hem met "schroom', zegt hij. Liever kaffert hij anderen uit, die hun herinneringen aan de Jappenkampen wél hebben neergeschreven, niet te beschroomd om die anderen te karakteriseren als "onbeduidende mensen'. Dat woord "schroom', klinkend uit de mond van Kousbroek, staat voor: onmacht, ongetalenteerdheid, angst. Het rijmt op "syndroom'.”

Kousbroek is nu weer aan slag.

Jan Heemstra, historicus, maakte een "Beknopt lexicon voor een eigentijds gesprek' dat een parodie lijkt op Hirsch' Dictionary of Cultural Literacy. Staat in de nog te verschijnen Nederlandse variant hierop, Het cultureel woordenboek (Anthos, KNAW) onder meer iets over het Auschwitzmonument in Amsterdam (de gebroken spiegels van Jan Wolkers: “Voorgoed kan op die plaats de hemel niet meer ongeschonden weerspiegeld worden”), bij Heemstra vinden we onder Auschwitz: “Vermijden als gespreksonderwerp. Wanneer onoverkomelijk, direct plaatsen in het rijtje: Auschwitz, Berlijn '53, Budapest '56, Tsjechoslowakije '68, Polen '80, Parijs mei '68 en de economische crises van deze eeuw”...enz. Onder "Humanisme': “Afdoen als kitsch of wijzen naar het voorhoofd. (Direct overstappen op "Deconstructie')”. Ontzettend lollig allemaal.

Er staat niet veel poëzie in dit nummer, maar wel bijzondere. Anneke Brassinga vertaalde Hart Crane's "To Brooklyn Bridge' dat door de VPRO verfilmd is:

Vanuit een metro-luik, cel of vliering ijlt

een amokmaker toe op uw verschansing,

wankelt een oogwenk, schel hemd opbollend,

een snier ontrolt de sprakeloze karavaan.

Leslie Wolf trekt de aandacht met haar eerste gedichten. "Voor Ruby':

Dacht ik

op hoge hakken verder te komen

ik wilde een negerinnenkont

en blote haren

verder komen met korte woorden

Stanley Menzo

om je naam herinner ik me haar geur

achteraf heeft lange benen

Nop Maas en Rob van de Schoor bespreken Parijs 1891 van Byvanck uit datzelfde jaar; er zijn verschrikte aantekeningen uit Ann Arbor van writer in residence Herman Stevens (“Een voorganger van mij - en een hele goede - was een paar jaar geleden nagenoeg het land uit geprocedeerd omdat hij verwikkeld zou zijn geraakt in een studente d'r bloedeigen borsten”); een portfolio met werk van Paul Gorter; Kees Wielemaker over Nietzsche en Hermans; en kort proza van Theo de Jong, en Myriam Crijns vanuit Westmalle over André Baillon en het benauwende abdijleven.

Maatstaf 1992-6. De Arbeiderspers, 95 blz.ƒ15

Zweet, bloed en suiker

Le serpent à plumes verdient een prijs voor het Best Verzorgde Tijdschrift. Terwijl het niet eens ingenaaid is: elke bijdrage past precies op een gevouwen blad en tien van die crèmekleurige dubbele bladen liggen los tussen twee eenvoudige omslagen met een fraaie kleurenillustratie erop. Voor op de luxueuzere koffietafel.

Inhoudelijk zijn de korte verhalen in dit Parijse tijdschrift wél verbonden. Het jongste nummer kreeg als ondertitel "Le grand cri caraïbe'. Eerdere nummers richtten zich onder meer op Noord- en Latijns-Amerika, Centraal-Europa, Afrika, sneeuwstreken, en vrouwen van de wereld'.

In "Le cri caraïbe' gaat het om de verkniptheid van dat gebied, de invloeden uit Europa, Afrika en Amerika. De Cubaan José Marti sprak van een verkleedpartij: “We droegen Engelse shorts, een vest uit Parijs, een Noordamerikaans jasje en een hoedje uit Spanje”. Het kunstwerk op het omslag is dan ook een collage van blanke, zwarte, en Indiaanse cultuuruitingen. In "Le cri caraïbe' weerklinken ook de sociale spanningen, de politieke instabiliteit en het geweld. In al de verhalen broeit de dreiging. “Want in Haïti kent het carnaval geen rust, dat luidruchtig feest waarop het in de gedaante van snoepjes en confetti bloed en uitwerpselen regent, waar op het hoogtepunt de zwangere dood, onder gejuich van het publiek, bevalt van een zwerm minuscule doodjes, totdat een tropische stortbui de drek in het riool spoelt en de rondedans van dood en geboorte opnieuw kan beginnen.” (Uit "Savane zombi').

De verhaaltitel van Suzanne Dracius-Pinalie (Martinique) dekt de hele lading van dit mooie Serpent à Plumes: "De sueur, de sucre et de sang'.

Le Serpent à Plumes no.15. 44 blz.75F. 78, rue du Bac - 75007 Paris

Nederland verloedert

“De verloedering van Nederland merk je dagelijks om je heen in de vervuilde straten: slecht geplaveid en op geen enkele wijze inspirerend om met je lege patatbakje te zoeken naar een prullenbak.” Wiek Röling, architect en hoogleraar aan de TU Delft, publiceert in De Gids over "Verloedering en architectuur', dat wil zeggen over lelijke gebouwen. Hij noemt jammer genoeg geen specifieke voorbeelden van lelijkheid. Röling hamert op duurzaamheid van gebouwen - en dus tegen modieuze hoogstandjes, en pleit voor loyaliteit onder architecten, die allemaal voldoende tijd zouden moeten eisen, voor een visie en voor hun voorbereidingen.

“Ze gunnen zich de tijd niet om uit eigen fouten lessen te trekken” zegt ook Ben van der Velden, over de ingenieurs van Rijkswaterstaat die het rivierenlandschap willen vernietigen met hun dijkverzwaringen. Monumentenzorgdeskundige W.F. Denslagen verdedigt de modernistische architectuur van de jaren '20 tegen de hoon van de postmodernisten, en overweegt de verhouding tussen esthetiek en functionaliteit.

In "Een advocaat van kwade zaken' bespreekt J.Breman de werkzaamheden van de kritische mr.J.van den Brand op Sumatra, aan het begin van deze eeuw. Het beetje literaire werk in dit nummer van De Gids is van Gerard van Emmerik (“Ik ben verslingerd aan een proleet die me afranselt”) en Leo Vroman.

De Gids, 155ste jrg.nr.6. Meulenhoff, 77 blz.ƒ14,90