Kort geding tegen dijkverzwaring

OOIJ, 21 JULI. De vereniging De Ooijse Dijken gaat in een kort geding tegen het polderdistrict Maas en Waal uitstel eisen van verzwaring van de Waaldijk langs de Ooijpolder ten oosten van Nijmegen. Het polderdistrict wil dat uiterlijk begin september een aannemer begint met de verzwaring van een vijf kilometer lang dijkvak, wat de verwoesting betekent van een uitzonderlijk rivierlandschap.

De plannen behelzen het rooien zowel binnen- als buitendijks van vele bomen, de sloop van huizen, de demping van een zijriviertje van de Waal en verhoging van de dijk met ongeveer anderhalve meter.

De advocaat van de vereniging De Ooijse Dijken, mr. B.F. Eblé, wil dat het polderdistrict wacht met het aanrichten van schade aan het landschap totdat duidelijk is of de Tweede Kamer al of niet een nieuw onderzoek wenst naar de noodzaak van de verzwaring van de rivierdijken volgens de door Rijkswaterstaat berekende normen.

Aanleiding hiertoe is voor hem de aankondiging van D66 om de kwestie van de rivierdijken bij de algemene beschouwingen in september aan de orde te stellen en te trachten een Kamermeerderheid achter een voorstel voor nieuw onderzoek te krijgen.

Eblé gaat van het polderdistrict Maas en Waal eisen dat de opdracht voor de dijkverzwaring voorlopig niet aan een aannemer wordt gegund of, indien dat al is gebeurd, de aannemer niet met de uitvoering mag beginnen.

Volgens de secretaris van het polderdistrict, H.H. Kok, duurt het nog ongeveer een maand eer de gunning wordt verleend. Hij zegt dat er geen haar op de hoofden van de polderbestuurders is die denkt aan uitstel van het werk, dat zo snel mogelijk na de gunning zou moeten starten. Volgens hem zou uitstel van het werk van twaalf miljoen gulden tot een aanzienlijke kostenverhoging leiden.

Overigens is ook binnen Rijkswaterstaat volgens een woordvoerder een discussie op gang gekomen over de vraag of de verhoging van de rivierdijken wel volgens de plannen uitgevoerd moet worden. Betrokken ambtenaren van Rijkswaterstaat zeggen dat door de voortgaande protesten tegen de dijkverhogingen - die leiden tot verwoesting van het landschap in het hele rivierengebied - de vraag is gerezen of het “maatschappelijk draagvlak” nog wel voldoende is om de uitvoering van de werken op dit moment voort te zetten.

Pag 2: Rijkswaterstaat overweegt uitstel

Bij deze discussies binnen Rijkswaterstaat is voorgesteld de dijkverzwaringen voorlopig geheel te stoppen. Een onafhankelijke commissie zou vervolgens opnieuw moeten bekijken of de dijken wel zo verhoogd en verbreed moeten worden als Rijkswaterstaat nu zegt. Dit voorstel betekent niet dat ambtenaren van Rijkswaterstaat zijn gaan twijfelen aan het project. Ze rekenen erop dat zij in een commissie duidelijk zullen kunnen maken dat de dijken minstens zoveel omhoog moeten als nu gepland is. Wordt dat aanvaard in een commissie waarin ook huidige tegenstanders van de verhogingen zijn vertegenwoordigd, dan is het “maatschappelijk draagvlak” voor de dijkverhogingen verbreed en zal bij de uitvoering van de werken vermoedelijk minder onrust ontstaan.

Ter ondersteuning van dit standpunt wordt het voorbeeld genoemd van de commissie Becht in de jaren zeventig. Deze commissie onder voorzitterschap van de toenmalige burgemeester van Tilburg bekeek naar aanleiding van protesten of Rijkswaterstaat terecht voor de rivierdijken uitging van de norm dat het risico dat ze zouden doorbreken niet groter was dan eens in de drieduizend jaar. De commissie Becht kwam tot de conclusie dat een risico van eens in de 1250 jaar ook voldoende was. Vervolgens maakte Rijkswaterstaat nieuwe berekeningen en kwam tot de slotsom dat ze niet minder, maar meer verhoogd moesten worden dan men eerder van plan was. De keuze voor 1250 jaar pleitte in de nieuwe rekensom voor minder dijkverhoging, maar Rijkswaterstaat had inmiddels nieuwe factoren ontdekt die dat bij de berekeningen ruimschoots compenseerden.

Tegen de argumentatie voor opschorting is ingebracht dat uitstel van de werken, waarvoor polderdistricten veel voorbereidend werk hebben uitgevoerd, zeer kostbaar is. Minister Maij (verkeer en waterstaat) heeft zich nog niet definitief over de zaak uitgesproken, hoewel betrokken ambtenaren de indruk hebben dat zij met name om financiële reden bezwaar heeft tegen opschorting van de dijkwerken.

De polderdistricten langs de grote rivieren is er veel aan gelegen de werken zo snel mogelijk uit te voeren. Zij zijn verantwoordelijk voor dikwijls tientallen jaren achterstand in onderhoud van de dijken. Volgens de huidige plannen komt bij verzwaring van de dijken tachtig procent van de kosten voor rekening van het rijk. De polderdistricten vrezen dat verandering kan leiden tot minder gunstige financiële voorwaarden. Hun overkoepelende organisatie, de Unie van Waterschappen, heeft daarom ook een public relations bureau ingehuurd dat moet adviseren hoe bezwaren tegen de aanpak van het rivierenlandschap gepareerd kunnen worden.