Koch

In "Pyke Koch verruilde zijn zwarte hoofdband voor een rode pruik' beweert Bram Kempers Koch te herkennen verkleed als travestiet (NRC Handelsblad, 14 juli).

Het zou voor Kempers leerzaam zijn een paar jaar te oefenen in het portretschilderen om te ervaren dat bij het bestuderen van het menselijk gezicht, onderdelen en uitdrukking ervan, de schilder deels - al was het maar om een en ander te controleren - op zijn eigen voorkomen is aangewezen.

Bij het portretteren van anderen zijn deze ervaringen verwerkt en worden ze dikwijls onbewust overgedragen. Dat kan soms zo sterk zijn dat we de maker erin herkennen. De basis om tot die herkenning te komen is het zelfportret.

Dürer en Rembrandt - om maar eens twee contrasten te noemen - tonen zich in hun portretopdrachten, omdat we ook hun zelfportretten kennen. Ook de magisch "realisten' hebben zichzelf regelmatig geportretteerd, waarvan op de Arnhemse tentoonstelling voorbeelden te zien zijn.

In dit verband is het niets bijzonders dat met name Koch zich in elk portret toont of het nu om een man gaat of een vrouw. Is, als Kempers een travestiet in "Vrouwen in de straat' herkent, dat niet het beste compliment voor Koch? Deze "onthulling' leidt de aandacht af - natuurlijk lezen we weer over de zwarte band - van Kochs bijzondere oeuvre. Wijzen wij David nog met het vingertje na omdat hij de Franse koningen, Napoleon en de bourgeois diende? Ook het woordgrapje P en K voor geslachtsdelen met betrekking tot het besproken schilderij is gezocht en vernederend. Je zal maar Pyke Koch heten. Postuum onsmakelijk.

Wat ik me ten slotte afvraag is waarom Kempers met al zijn problemen en vragen nooit zelf naar Koch is gegaan. Zijn oeuvre was in wezen al twintig jaar geleden afgesloten. Schijnbaar heeft Koch er, ondanks het verleden, het beste aan gedaan vervelende vragen naar believen te ontkennen of te bevestigen. Steeds dezelfde vragen. In zijn lange leven was voor het beantwoorden van zinvoller vragen alle tijd geweest. Een gemiste kans.