Klaagzangen van verwende bevolking

Doordat de Duitsers, en hun politici en economische en monetaire deskundigen, in het algemeen anders, kritischer, dan andere Europeanen kijken naar de kracht van hun munt, de schuld van hun overheid en de rente- en inflatievoet, spreken en schrijven zij ook vaak eerder bezorgd over de staat van hun economie dan bij de Europese buren het geval zou zijn.

Dat lijkt op zomaar een bewering. Maar dat is het niet. Duitsland klaagt hevig over zijn economische toestand, terwijl die op de keper beschouwd helemaal niet zo slecht is. De door tien jaar onafgebroken hoogconjunctuur “verwende” Westduitse bevolking wordt in de klaagzangen voorgegaan door de media. De last van de economische opbouw van Oost-Duitsland zorgt in West-Duitsland voor toenemende bezorgdheid en ergernis. Daarbovenop is, sinds de EG-akkoorden van Maastricht, de onzekerheid gekomen over wat er straks in het kader van de EMU (de Europese monetaire unie) gaat gebeuren.

Dat praktisch iedereen zich tussen '89 en '91 heeft verkeken op de omvang en de duur van de inspanningen die voor nodig zijn voor de economische en psychologische eenwording van Duitsland, heeft ook tot een katerstemming in Oost-Duitsland geleid. De recente oprichting van het Oostduitse “Comité voor gerechtigheid”, en zijn irreële maar onmiskenbare nostalgie naar de “veilige” overzichtelijkheid van de vroegere DDR, zijn daarvan maar één voorbeeld.

Wie de economische macrocijfers over 1992 (vooral: de inflatie van nu 4,5 procent en de bescheiden groei van 1,5 tot 2 procent) bekijkt, kan navoelen dat er ongewone golven van onzekerheid door de Duitse bevolking gaan. Dit temeer nu veel nerveuze Duitse politici al net zo verrast lijken door het verloop van de gebeurtenissen als hun kiezers. De Bundesbank, die vorige week met een discontoverhoging van 8 tot 8,75 procent vooral op de binnenlandse rem trapte (zij liet de Lombard-rente onveranderd), functioneert hier onverminderd als een monument van kalmte. En, zeker zo belangrijk, als een monument van Europese monetaire soliditeit.

Een voorbeeld van de stijgende politieke nervositeit leverde dezer dagen Otto graaf Lambsdorff, voorzitter van de liberale FDP. Hij was ooit minister van economische zaken en effende in de vroege jaren tachtig met pleidooien voor drastische belastingverlaging en sanering van de onder SPD-kanselier Helmut Schmidt uit de hand gelopen overheidsfinanciën de weg voor zijn partij naar een coalitie met de CDU/CSU. Deze zelfde Lambsdorff suggereert nu de invoering van een speciale belasting voor hogere inkomens. Hij kreeg er applaus voor van de oppositionele SPD, iets waarvan hij in andere tijden waarschijnlijk niet zou kunnen slapen.

Al is qua werkgelegenheid het diepste dal in de vroegere DDR vermoedelijk nog niet bereikt, en al is de inflatie er met 14 procent (voor de helft veroorzaakt door verhoogde huren) nog dramatisch hoog, zowel de regering als de Bundesbank en de grote Duitse economische instituten blijven optimistisch dat - nu dan in 1993 - de keer ten goede zal komen. Het grote aantal (30.000) nieuwe (kleine) bedrijfsvestigingen wordt in veel gevallen als aanwijzing gezien dat er in feite “onderstrooms” al een kentering gaande is. Het feit dat het eerste regionale Treuhand-filiaal, dat in het Mecklenburgse Schwerin, vorige week werd gesloten omdat het klaar is met de verkoop van vroegere staatsbedrijven in dat gebied, werd becommentarieerd als een aanwijzing in dezelfde richting.

Als het economische saneringswerk en de aanleg van een nieuwe infrastructuur in Oost-Duitsland straks achter de rug is, daarvoor wordt in West-Duitsland dit jaar het gigantische brutobedrag van 218 miljard mark (netto: 180 miljard) opgebracht, zal de Bondsrepubliek in Europa nog veel duidelijker economische reus geworden zijn. Straks? De vraag is wanneer het economisch herstel in de vroegere DDR zó zichtbaar wordt dat het ook in politiek opzicht voor een andere stemming gaat zorgen. Anders gezegd: de vraag is of dat herstel tijdig genoeg zichtbaar wordt om kanselier Helmut Kohl en zijn coalitie van CDU/CSU en FDP de Bondsdagverkiezingen van 1994 te laten overleven.

Nog anders stelt een groep vooraanstaande Duitse economen, die samenwerken in de zogenoemde Kronberger Kreis, die vraag. Zij beschrijven de spanning tussen wat economisch (ook volgens hen) “moet” en wat politiek kan onder meer zó: “Er zijn veel indicaties dat de economische ontwikkeling in Oost-Duitsland op gang komt. Dit proces (..) wordt van twee kanten bedreigd: door weinig begrip bij de ongeduldige bevolking voor de werking van het martmechanisme en door een politiek die dáárop steeds hectischer reageert en daarmee zijn eigen doelstellingen frustreert”.