Haagse grenzen

VOOR INDONESIË WAS dit weekeinde het belangrijkste nieuws het hulpakkoord van bijna vijf miljard dollar dat het land met zijn donors in Parijs kon afsluiten.

De crisis in de relaties tussen Den Haag en Jakarta over de slachtpartij in Oost-Timor heeft voor Indonesië dus geen nadelige gevolgen gehad. Met de nieuwe financiële zekerheid op zak zal het regime in Jakarta zich ook niet al te zeer bekommeren om de actie die Portugal momenteel met enig succes in de Europese Gemeenschap voert: Lissabon tracht daar een vergelijk met de Zuidoostaziatische landenorganisatie Asean te belemmeren zolang Indonesië geen garanties verstrekt met betrekking tot de toestand op Oost-Timor, een voormalige Portugese kolonie.

Het nieuwe krediet is tot stand gebracht onder het voorzitterschap van de Wereldbank die de plaats van Nederland heeft ingenomen. Maar de Fransen hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om Jakarta financieel extra tegemoet te komen. Frankrijk bezet in de rangorde van hulpverlening aan Indonesië de derde plaats, na Japan, maar nog voor de Verenigde Staten. Parijs voelde zich anderzijds verplicht de kwestie-Timor op de agenda te plaatsen van een tweezijdig onderhoud. Minister Radius Prawiro onderstreepte aan een ontbijt met ambtgenoot Kiejman vorige week woensdag zijn teleurstelling over het gebeurde en beloofde een gedocumenteerde uiteenzetting van het officiële Indonesische standpunt terzake. En eind goed, al goed: Prawiro kon een interessante cheque mee naar huis nemen.

IN DE SCHADUW van deze Parijse gebeurtenissen bracht minister Van den Broek dit weekeinde een beleefdheidsbezoek aan de Indonesische hoofdstad. Het lag voor de hand dat deze tweede ministeriële visite na het debâcle van de Nederlandse Indonesië-politiek nog niet veel meer kon zijn dan een poging tot toenadering waarbij moest worden voorkomen de stand van zaken verder te bederven. Zo bezien was het al een succes dat president Soeharto bereid was Van den Broek voor een onderhoud te ontvangen.

Nederland heeft nog wel een paar wensen zoals het weer op gang brengen van de (gesubsidieerde) hulpprojecten van particuliere organisaties. Bovendien is het Haagse streven erop gericht de schade te beperken die het Nederlandse bedrijfsleven direct en indirect oploopt door de kink in de onderlinge verhoudingen. Voor de goede, ook binnenlands-politieke orde mogen de mensenrechten, inbegrepen de tragedie op Oost-Timor, bij een dergelijke gelegenheid niet ongenoemd blijven. Maar het was duidelijk dat de Nederlandse bezoeker niet (meer) sprak vanuit een positie van kracht.

Van den Broek had bovendien te maken met een bijzondere handicap. De voor Nederland belangrijkste gesprekspartner, Prawiro, bevond zich in Parijs, zodat over de uitwerking van een eventuele toenadering nauwelijks kon worden overlegd. Dat gemis is mogelijk enigszins goedgemaakt door een geheime ministeriële missie vanuit Den Haag naar Parijs, maar daaraan ontbrak dan toch weer het formele karakter van Van den Broeks bezoek aan Jakarta.

DE LANDEN DIE op het gebied van ontwikkelingssamenwerking de dienst uitmaken wensen hulpverlening en bescherming van de mensenrechten niet werkelijk aan elkaar te koppelen, in de zin dat het één voorwaarde zou worden voor het andere. Wie twijfelde, zag dat nog eens ten overvloede in Parijs bevestigd. Zelfs een moordpartij als in Oost-Timor brengt daarin geen verandering. De internationale hulpverlening is dan ook meer dan charitas - grote commerciële en politieke belangen zijn ermee verbonden. Nederland heeft getracht deze porseleinkast omver te lopen. Maar het is bij die manoeuvre helaas als enige gestruikeld. Er is veel voor te zeggen om die werkelijkheid nog eens goed tot het vaderlandse politieke bewustzijn te laten doordringen.