De waters van het Spaanse kuuroord Solán de Cabras; Gedwongen rust in Geitentroost

In Solán de Cabras is de afgelopen anderhalve eeuw niets wezenlijks veranderd. Tweede deel in een serie over kuuroorden.

SOLAN DE CABRAS, 21 JULI. Wie op weg gaat naar de bronnen, hoort geen haast te hebben. Na aankomst niet, maar al evenmin onderweg. Wij waren te laat uit Madrid vertrokken en hadden daarmee meteen al onvergeeflijk gezondigd tegen de eerste voorwaarde voor een geslaagde kuur. Tweehonderd kilometer lijkt niet veel. Maar wanneer het grootste deel van de route over stofwegen langs steile hellingen en snelstromende rivieren voert, rekt de reis zich natuurlijk langer dan voorzien.

Tegen middernacht zagen we de fabriek waar overdag het water van Solán de Cabras in flessen en pakken wordt gedaan en daarachter gaf een geopende slagboom toegang tot het laatste stuk van de brede kloof waarin het kuurhotel gelegen is. In de deuropening stonden de nachtwaker en een mevrouw in een bloemetjesjurk, die zoetsappig informeerde of we een bijzondere liefhebberij hadden in dit soort nachtelijke waaghalzerij.

Even later zaten we in het maanlicht aan een stenen tafel van de stilte te genieten. Boven de lindebomen van het park hing een volle, blauwe maan. De rust werd alleen verstoord door een mot die tegen de gietijzeren lantarens fladderde en door het geborrel en geklater van onzichtbaar water, her en der in de coulissen. Naast ons stond de nachtwaker met zijn pet in zijn hand.

Prozaïsch als we zijn, konden we het niet laten om onze scepsis over het heilzame karakter van de bronnen te uiten. De wachter vroeg beleefd of hij van mening mocht verschillen. Nog niet zo lang geleden had zich een medische dokter in het hotel gemeld, die net zo sceptisch was geweest en bovendien leed aan stenen in zijn nieren. Een week had hij het wonderwater gedronken. Daarna was hij op een ochtend uitzinnig van vreugde en luid schreeuwend in het raam van zijn kamer verschenen, in de hand zijn po met ochtendplas èn stenen.

De mensen hadden er schande van gesproken, maar de nachtwaker begreep het wel. Bij die woorden strekte hij zijn pet naar ons uit, al was die leeg. Onder ons bed zagen we even later twéé nachtspiegels staan. Maar omdat onze nieren nog goed functioneren en we in andere opzichten juist weer ongeneeslijk zijn, gingen we slapen met het idee dat Solán de Cabras bij daglicht alleen nog maar kon tegenvallen.

Dat deed het niet. Ook 's ochtends was het stil en prachtig.

Wanneer precies de geneeskrachtige werking van de bronnen in het bergland van Cuenca is ontdekt, valt niet meer te achterhalen. Vermoedelijk waren de Romeinen en de Arabieren, die de badcultuur in Spanje respectievelijk introduceerden en verfijnden, al op de hoogte van de plek. Ook staat het vast, dat de bisschop van Cuenca er in de vijftiende eeuw enige tijd heeft doorgebracht om verlichting voor zijn kwalen te zoeken. Maar een ander verhaal wil, dat een herder die er in het begin van de zeventiende eeuw zijn geiten liet grazen tot zijn verrassing bemerkte dat de dieren genazen van de schurft waar zij aan hadden geleden. Solán de Cabras betekent dan ook zoiets als "geitentroost' of "goede, zonverlichte plaats voor geiten'.

Pas koning Carlos III gaf opdracht om de geneeskrachtige bronnen van Spanje systematisch naar aard en nut te inventariseren. In het in 1764, eveneens te Madrid, verschenen eerste deel van de Historia Universal de las Fuentes Minerales de España wordt dan ook gemeld dat het water van Solán verscheidene zouten bevat, rijk is aan magnesium en ijzer maar desalniettemin opvallend helder en reukloos. Net als tegenwoordig wordt het aangeraden voor personen die last hebben van reumatiek en van hun spijsverteringsorganen, maar daarnaast worden ook onvruchtbaarheid (bij de vrouw) en hypochondrie genoemd als belangrijke redenen om naar Solán de Cabras te gaan. Schurft komt niet ter sprake.

Het is niet overdreven te zeggen, dat Solán de Cabras als kuuroord eigenlijk alles te danken heeft aan het bewind van Carlos III. Toch is het niet deze nobele Bourbon, maar zijn perfide opvolger Fernando VII die er tot op de dag van vandaag wordt vereerd. De man die de grondwet van 1812 afschafte en de liberalen, onder wie zijn hofschilder Goya, het land uitschopte, verbleef in augustus 1826 enige dagen bij de bronnen samen met zijn derde echtgenote Amalia van Saksen. Doel van het verblijf was een grondige vaginale spoeling, want Amalia had haar man nog steeds geen zoon geschonken. Dat zou ze ook nadien niet doen - een omstandigheid die uiteindelijk leidde tot de Carlistenoorlogen.

Aan haar verblijf heeft Solán de Cabras het predikaat "koninklijk' overgehouden. De wanden van de salon zijn met portretten van Fernando en zijn vier echtgenotes behangen en de korte wandelingen die vanuit het kuurhotel zijn uitgezet dragen de namen van de vorstelijke bezoekers.

In de afgelopen anderhalve eeuw is er niets wezenlijks veranderd. Het hotel is bijvoorbeeld nog steeds maar drie maanden per jaar geopend, want de rest van de tijd is het te koud of te nat, of beide. Wel wordt de toegangsweg nu verbeterd en is er onlangs een zwembad aangelegd, dat in het weekeinde veel dagjesmensen trekt. En zelfs wordt er over het installeren van verwarming gedacht. Maar dat is toekomstmuziek en wij zouden het betreuren.

Nog voor het ontbijt lopen wij het laantje af naar het badhuis, dat al vanaf zes uur 's ochtends open is. Het is in de jaren zestig neergezet ter vervanging van de oorspronkelijke, in de rots uitgehakte baden en bevat een paar gewone emaille kuipen met een elektrisch apparaat om belletjes te blazen. Het water wordt verwarmd door een grote houtkachel die in een schuur achter het badhuis staat. Na een kwartier in de borrelende kuip, hebben we de indruk dat het water misschien vooral om te drinken is.

Die indruk bevestigt de kuurarts Belen Corrales, zesentwintig jaar oud, vorige maand afgestudeerd in de hydrologie en nu al de oogappel van alle gasten. Zij vertelt, dat het effect op de nieren meetbaar is. Die moeten harder werken door de opgenomen mineralen. De in vroeger eeuwen geconstateerde genezing van onvruchtbaarheid, schrijft zij eerder toe aan de hygiënische voordelen van het nemen van een bad dan aan een specifieke eigenschap van dit water. En misschien ook aan de ontspanning, die een verblijf in Solán de Cabras onvermijdelijk veroorzaakt.

Over de paden door het park is het inmiddels een komen en gaan van gasten in kamerjassen en trainingspakken. Pas rond het middaguur, wanneer het baden op zijn eind loopt, is bijna iedereen weer in normale kostuums gehuld. De wandelingetjes gaan dan naar de drie kranen waaruit het water om te drinken stroomt.

Alle gasten drinken twee tot drie liter per dag. Daarom hebben zij invouwbare plastic bekertjes op zak. Om kwart over twee luidt de bel voor het middageten, dat niet bepaald om over naar huis te schrijven is. Dat is het nooit geweest. Volgens sommigen was het dertig jaar geleden zelfs volmaakt oneetbaar. Maar dat belet niemand om jaar in, jaar uit naar Solán de Cabras te gaan. Die trouw blijkt te worden ingegeven doordat de meeste gasten werkelijk geholpen zijn door hun kuur.

De zakenman Joaquin Gomez Mira bijvoorbeeld kreeg in 1956 last van zijn nieren, doet sindsdien ieder jaar een kuur en voelt zich nog altijd kerngezond. Hij is een sportieve verschijning die wij aanvankelijk een jaar of zestig hadden gegeven, maar die 84 blijkt te zijn. Een mevrouw die kip verkoopt op de markt in Barcelona komt om dezelfde reden ook al dertig jaar en ziet er even blakend uit. Net als de meneer uit Valladolid, bij wie in 1952 een nier werd weggenomen. Hij kan het hotel eigenlijk niet betalen en heeft daarom een kamer in het dorp genomen, vanwaar hij twee keer per dag omhoogklimt met zijn bekertje.

De middagen zijn lang in Solán de Cabras en de gesprekken cirkelen steeds om dezelfde thema's. Gezondheid, kinderen, het karakter van de verschillende streken in Spanje. En natuurlijk de Burgeroorlog. Je kunt je onmogelijk aan die gesprekken onttrekken. Desnoods word je er bijgesleept. “De eerste jaren nam ik nog wel een boek mee,” bekent mevrouw Gomez Mira. “Maar dat heb ik opgegeven. Ik moest me verstoppen om een paar bladzijden te kunnen lezen en dan dacht iedereen meteen dat me iets overkomen was.”

Hoog boven het dal draait een gier zijn eenzame rondjes, de scherpe blik gericht op het ouwemensenvlees dat daar beneden op stoelen en bankjes vergaderd is.