De huidige politieke klasse kan Italië eigenlijk niet redden; Harde aanpak van de mafia zou betekenen dat de partijen in hun eigen vlees zouden snijden; Toen Falcone werd herdacht in het parlement, kon er geen minuut stilte af

Italië wankelt. Het land maakt de grootste crisis sinds de Tweede Wereldoorlog door, een crisis die de samenleving tot in haar fundamenten treft.

De moordaanslag op rechter Paolo Borsellino, nog geen twee maanden na de moord op Giovanni Falcone, laat zien dat de mafia doet wat zij wil. Premier Amato heeft toegegeven dat het land economisch gezien aan de rand van de afgrond staat. De traditionele politieke partijen zijn vrijwel zonder uitzondering in diskrediet geraakt door de massale corruptiepraktijken die nu overal in het land aan het licht komen: in Milaan, in Venetië, in Rome, in Napels. Drie uur na de moord op Borsellino realiseerde president Scalfaro al hoe fundamenteel de crisis is: onze geloofwaardigheid staat op het spel, waarschuwde hij.

Het zou verkeerd zijn de gebeurtenissen van de afgelopen maanden als "niets bijzonders en typisch Italiaans' af te doen: corruptie is niets nieuws, de mafia moordt al jaren, en Italianen zijn op economisch gebied altijd goed voor kleine tovertrucs, alsof ze zichzelf aan hun haren uit het moeras trekken. Dat is het oude beeld. Maar nu zijn op al deze terreinen de kritieke grenzen overschreden, en de crisis wordt fundamenteel omdat dit alles vrijwel gelijktijdig is gebeurd.

Dat de lire gisteren zwaar onder druk kwam te staan, dat de koersen op de Milanese beurs met zes procent kelderden, het zijn geen puur-financiële fenomenen meer. Natuurlijk, Fiat moet in september weer enkele tienduizenden mensen tijdelijk op non-actief zetten, en Fiat is altijd een soort barometer geweest voor de economie. Natuurlijk, de discontoverhoging heeft niet alle vraagtekens weggenomen over een mogelijke devaluatie van de lire. Maar dat dit direct na de aanslag op Borsellino gebeurt, laat zien dat er een vertrouwenscrisis bestaat die verder gaat dan het financieel-economische beleid.

De drie problemen, economie, politiek en criminaliteit, komen samen in de hoofdvraag: is de huidige politieke klasse nog wel in staat het land te redden? Kunnen dezelfde partijen die de oorzaak zijn van deze problemen, nu ineens de oplossing vormen?

De mafia heeft jarenlang haar macht kunnen uitbreiden dankzij de passieve en vaak medeplichtige opstelling van politieke partijen, waarbij de christen-democraten en de socialisten de zwaarste blaam treft. In het zuiden van Italië is een verstrengeling ontstaan van politiek, zaken en criminaliteit, waarvan zowel de mafia als christen-democraten en socialisten hebben geprofiteerd. Terwijl in het noorden van het land de steun voor deze twee grote regeringspartijen afkalfde, werd het zuiden een veilig bastion.

Harde aanpak van de mafia zou in veel gevallen betekenen dat de partijen in hun eigen vlees zouden snijden, hun eigen bron van stemmen zouden droogleggen. Er zijn uitzonderingen. Vincenzo Scotti, die zich in het voorgaande kabinet als minister van binnenlandse zaken ontpopte als een fel mafiabestrijder, komt uit Napels. Claudio Martelli, minister van justitie, heeft in Palermo kandidaat gestaan. Maar zij zijn een minderheid. Na iedere mafiamoord kwam als een rituele formule de belofte uit Rome dat de staat deze uitdaging niet over zijn kant zou laten gaan. Het is meestal bij verbaal geweld gebleven. De mafia heeft geleerd dat zij niet bang hoeft te zijn voor politici. Uit de aanslagen blijkt dat zij veel meer de rechters en politieagenten vreest die, soms met een koppige loyaliteit aan een staat die hen op veel punten in de steek laat, hun werk blijven doen, tegen de stroom in.

Laat niemand zich vergissen in de mafia. Dat is geen groep misdadigers die met een zekere mate van folklore als uomini d'onore allerlei winstgevende illegale activiteiten uitvoeren, en daarbij in de traditionele gangster-stijl hun vijanden uit de weg ruimen. De macht van de mafia gaat veel verder. Door de manier waarop zij nu één voor één haar belangrijkste vijanden aan het vermoorden is, alsof systematisch een dodenlijstje wordt afgewerkt, laat zij zien wie de baas is in Sicilië als het er echt op aankomt. Voor wie daar na de aanslag op Giovanni Falcone nog aan twijfelde, liet Totò Riina, de gevaarlijkste en meest-gezochte mafialeider, weten dat hij op Sicilië zit, in een soort "kiekeboe-pak-me-dan'. Geen wonder dat na de aanslag op Borsellino de lijfwachten gefrustreerd de handdoek in de ring gooien: onze bescherming heeft geen zin meer, de mafia vermoordt haar vijanden toch wel, zeggen ze, en waarom zouden wij dan nog als slachtvee moeten dienen?

Burgemeester Aldo Rizzo van Palermo, een voormalige rechter, zei dat zijn stad, zijn eiland, geen democratie meer is. Het zou goed zijn als dit besef doordringt in Rome. Lang is er verzet geweest tegen drastische maatregelen, zoals de afkondiging van de staat van beleg in Sicilië. Dat zou de vrijheden van de Sicilianen aantasten en het eiland onnodig stigmatiseren. Maar van echte vrijheid is nu al geen sprake meer, en veel van de duizenden Sicilianen die tegen de mafia zijn, zien de militairen liever vandaag dan morgen komen.

Het hoofdprobleem is dat dezelfde partijen die jarenlang de strijd tegen de mafia hebben tegengewerkt of genegeerd, nu het voortouw moeten nemen. Nog steeds blijkt niet iedereen van de ernst van de situatie doordrongen. Een kleine vooruitgang is er: toen Falcone werd herdacht in het parlement, kon er geen minuut stilte af. Gisteren voor Borsellino wel - dat die minuut nog geen twintig seconden duurde, komt vooral doordat Italianen niet stil kunnen zitten. Maar waarom zijn pas gisteren de belangrijkste mafialeiders die gevangen zitten naar het eilandje Pianosa gebracht? Waarom zijn er zondagnacht geen massale zoekacties gehouden in Palermo? Waarom was het parlement gisteren in het debat over de aanslag nog niet voor de helft gevuld? In de samenleving groeien de protesten, maar in de parlement is daar veel minder van te merken.

Hetzelfde probleem doet zich voor bij het begrotingstekort. Premier Amato staat, ondanks alle goede intenties, in feite voor een onmogelijke taak. Hij moet dezelfde partijen die jarenlang een vrolijk feest hebben georganiseerd op kosten van de schatkist, nu duidelijk maken dat het feest voorbij is, dat ze een tijd op water en brood moeten leven en bovendien hun controle op de staatssector van de economie moeten opgeven. De weerstanden daartegen zijn enorm groot. Maar weinigen hebben de kracht om te zeggen dat hun tijd voorbij is.

Voor wat betreft de corruptie is dat probleem iets minder groot: als de partijen zichzelf niet hervormen, zijn er wel rechters die hun daartoe dwingen. Maar ook hier blijkt hoe groot het verzet is, hoe moeilijk het is voor veel van leidende politici om hun moreel failliet te erkennen. Schaamteloos zei de socialistische partijleider Bettino Craxi dat de corruptie minder erg zou zijn als het geld was doorgesluisd naar de partij.

In Italië bestaat op dit moment geen coherente oppositie die een alternatief kan vormen voor de huidige regeringspartijen. De ex-communisten worstelen vooral met zichzelf, de protestpartij Lega Lombarda heeft veel losgemaakt maar vertoont nu tekenen van populistische degeneratie, en andere nieuwe protestpartijen zijn te klein.

In een politieke traditie die al een paar decennia de confrontatie heeft vervangen door het consensusmodel, lijkt de verandering van binnenuit te moeten komen. Politici als president Scalfaro, premier Amato en minister van justitie Martelli zijn hoopgevende voorbeelden. Maar zij hebben nog altijd niet iedereen kunnen overtuigen van de ernst van de crisis.