Chioccioli volgt de nieuwe koers

ST. ETIENNE, 21 JULI. Nog niet zo heel lang geleden werd het Italiaanse wielrennen vereenzelvigd met passiviteit. De wielrenners waren als de voetballers in hun land louter verdedigend ingesteld. In hun eigen wedstrijden legden ze de koers lam om pas in de laatste kilometers aan de voorbereidingen voor de finale te beginnen, die dan ook regelmatig in een massasprint eindigde.

Buiten die paradijselijke sfeer, in de klassiekers van het noorden en vooral in de Tour de France, lieten ze zich gemakkelijk verslaan door de Fransen, Belgen en Nederlanders. Het hoefde allemaal niet. Het was omdat de sponsor geïnteresseerd was in deelname aan de Tour, maar dat was nog geen reden om actie te ondernemen, vonden Saronni, Visentini en de zijnen.

In korte tijd heeft de Italiaanse manier van wielrennen een metamorfose ondergaan. De verdedigers van gisteren zijn de aanvallers van vandaag geworden. De Italianen hebben zich gehard in Westeuropese wedstrijden, kunnen rekenen op de beste technisch en medisch wetenschappelijke begeleiding, vinden psychologen aan hun bed en zijn aangestoken door het virus dat Claudio Chiappucci een paar jaar geleden is gaan verspreiden.

Van Chiappucci, Bugno, Argentin, Cipollini en Bontempi is intussen bekend dat zij doelgerichte renners zijn. Voor Franco Chioccioli geldt dat minder. Hij is al elf jaar professional, was talentvol, maar won zelden omdat hij in de eerste plaats ziekelijk is aangelegd en ten tweede het nodige zelfvertrouwen miste. Hij was een zenuwpees, weet de Belgische arts Ivan Demol, die hem sinds vorig jaar begeleidt. Hij reed heel weinig wedstrijden, spaarde zijn krachten, maar deed mede daardoor nooit de hardheid op die hij nodig had.

Toen hij in de Giro van 1988 bevroren en trillend minuten achter winnaar Erik Breukink van de Passo di Gavia in een verwarmende deken was gerold, herkenden oudere journalisten in zijn gezicht Fausto Coppi, de campionissimo van veertig jaar geleden. Hetzelfde spitsige gezicht, de holle ogen, die bril over de pet op zijn voorhoofd. "Coppino' zouden ze hem gaan noemen. Tegen zijn wil, want hij wilde niet vergeleken worden met de beste aller Italianen. In 1991, op 31-jarige leeftijd, won hij zijn eerste grote wedstrijd, de Ronde van Italië nota bene. Hij was een aanvaller geworden, hij kon tijdrijden, hij had zelfvertrouwen gekregen.

In zijn eerste Tour behoort de renner met de mooiste naam van het profpeloton, Franco Chioccioli, tot de strijdlustigste renners. Hij viel aan in de eerste etappe, op de Jaizkibel, hij viel aan op de Galibier en hij viel aan op de Col de Croix, gisteren boven St. Etienne. En eindelijk won hij. Na een indrukwekkende klim en een nog indrukwekkender afdaling. Natuurlijk mocht Chioccioli zijn gang gaan. Hij was met zijn negentiende plaats ongevaarlijk voor de top van het klassement geworden. Maar dat maakte zijn triomf niet minder mooi. Waar Nederlanders van hetzelfde allooi (Theunisse, Breukink, Rooks en Bouwmans) slechts aanklampen en niet durven, put de 32-jarige Italiaan diep in zijn lichamelijke krachten. Dat deden Italianen tot voor kort niet.

Chioccioli is een boerenzoon uit Toscane, uit Pian di Sco tussen Arezzo en Florence. Zaterdag had hij net als alle Italianen willen winnen op Sestrières. Maar zoals het hoort, was de sterkste en strijdlustigste klimmer aller Tour-renners hem te snel af geweest. Juist zaterdag had Chioccioli willen winnen. Want op die dag werd hij vader van een zoon, Alessio. Maar toen het niet was gelukt volhardde hij als in oude tijden in zijn poging om deze blijde gebeurtenis te accentueren met een etappeoverwinning in de Tour. Gisteren won de vechtjas. En lees wat een winnende renner zegt als hij zojuist vader is geworden: “De geboorte van een kind is het mooiste in je leven, een rit winnen in de Tour de France is een droom die in vervulling is gegaan. Dit is een ongelooflijk lang en ongelooflijk mooi weekeinde.”