Arbo: groeimarkt voor adviseurs

Driekwart van de Nederlandse beroepsbevolking behoort tot de wereldelite, de rest is ziek of arbeidsongeschikt. Om dat te verbeteren verdienen ook arbeidsomstandigheden meer aandacht. Aflevering 10: adviesbureaus.

ROTTERDAM, 21 JULI. Arbeidsomstandigheden vormen een terrein waarop duizenden mensen hun brood verdienen. Er zijn acht belangrijke beroepsverenigingen, die samen meer dan vijfduizend leden hebben. Er zijn zo'n vierhonderd bedrijfstakorganisaties die zich met arbeidsomststandigheden bezighouden. Daarnaast zijn er nog honderden bureaus en instellingen actief op de markt voor onderzoek en advies. De commerciële adviesbureaus vormen daarin nog een minderheid, maar hun aantal groeit. Tenslotte zijn er nog de leveranciers van allerlei produkten als veiligheidsschoenen en geluiddempende materialen voor fabriekshallen.

De markt voor adviezen op arbo-gebied is buitengewoon onoverzichtelijk. Dat heeft twee oorzaken. De eerste is dat arbo is voortgekomen uit talrijke specialismen, die elk nog steeds hun eigen wereldje hebben. Zulke wereldjes zijn bijvoorbeeld de bedrijfsgeneeskunde, de ergonomie, de veiligheidskunde, de toxicologie en de organisatiekundes. Daarnaast proberen relatieve nieuwkomers als fysiotherapeuten ook een graantje mee te pikken. Er bestaat sinds kort zelfs een vereniging van bedrijfsfysiotherapeuten. De tweede reden is dat de aard van de adviesinstanties zo divers is. Naast commerciële adviesbureaus zijn er non-profit, maar wel marktgericht opererende instellingen als het Nederlands Instituut voor Arbeidsomstandigheden (NIA), verscheidene TNO-instituten en bedrijfsgeneeskundige diensten. Maar er is ook een heel groot niet marktgericht segment, waar enerzijds vakbonden en wetenschapswinkels van universiteiten deel van uitmaken, en anderzijds (semi-)overheidsin-stanties actief zijn, zoals de Arbeidsinspectie, de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD), de bedrijfsverenigingen en het GAK en het ABP.

Van Vugt Dekker & Partners is een commercieel adviesbureau met een klantenkring onder grote, aan de beurs genoteerde ondernemingen. Het is een tweemansbedrijf, maar het onderhoudt nauwe banden met freelance bedrijfsartsen en andere deelspecialisten. Een typische klus is volgens J. Dekker het onderzoeken van het ziekteverzuim op een bepaalde afdeling en advies uitbrengen aan de bedrijfsleiding hoe dat kan worden teruggedrongen. Het bureau is aanhanger van de "integrale benadering' waarbij gezondheid, veiligheid en welzijn voortdurend in hun onderlinge samenhang worden bekeken. Onderdeel van de aanpak van dit bureau vormt altijd een enquête onder het personeel van de betrokken afdeling over de werkbeleving. Over het algemeen duurt zo'n onderzoek- en adviestraject twee à drie maanden. Vaak komt er dan nog vervolgproject, zoals het opzetten van een verzuimbegeleidingssysteem.

Bij Arbo-Partners in Amsterdam werken vier mensen, vooral voor het grotere midden- en kleinbedrijf (100 à 500 werknemers), met name in de dienstensector. “Die hebben vroeger nooit met arbo te maken gehad en hebben daardoor zelf de kennis niet in huis”, zegt E. Ongering, een van de firmanten. “We krijgen wel eens mensen aan de lijn die zeggen: maar wij hebben helemaal geen arbeidsomstandigheden.” Een veel voorkomende klus voor Arbo-Partners is het op poten zetten van een arbobeleid, bijvoorbeeld een arbo-beleidsplan schrijven.

De concurrentie komt vooral van het NIA, het GAK en de GMD, aldus Ongering. “Het is niet zo dat we elkaar het brood uit de mond stoten.” Hij merkt in de praktijk dat de markt wel aarzelend is. Nog niet elk bedrijf is doordrongen van het belang van goede arbeidsomstandigheden. Dekker beaamt dat. “We zitten niet tot over onze oren in het werk. Dat hoor ik ook bij collega's.” Toch merkt hij weinig van concurrentie, in de zin dat hij met andere bureaus in de slag moet om een opdracht binnen te slepen. Beiden verwachten echter dat de hoeveelheid werk volgend jaar flink zal toenemen. Op 1 januari gaat namelijk de Europese Kaderrichtlijn werken, op basis waarvan alle bedrijven verplicht worden een schriftelijke inventarisatie en evaluatie te maken van de risico's in het bedrijf.

Volgens een wijzigingsvoorstel op de arbowet waarmee het kabinet onlangs heeft ingestemd zou deze inventarisatie moeten worden verricht door een "deskundige dienst'. Op het ogenblik krijgen bedrijven alleen formele erkenningen voor de bedrijfsgezondsheidsdienst en veiligheidsdienst die ze inhuren. Vanaf 1 januari verandert dit. De "deskundige diensten' moeten dan arbo-diensten zijn die zowel kennis over gezondheid, als over veiligheid als over welzijn in huis hebben. Ze zullen in staat moeten zijn om die risico-inventarisaties te maken, maar ook om een verzuimbeleid op te zetten en uit te voeren. Een dienst die aan alle eisen voldoet - aan de preciese formulering wordt nog gewerkt - krijgt een certificaat van de arbeidsinspectie. De verplichting om gebruik te maken van certificaathouders zal gefaseerd worden ingevoerd, omdat er in het begin gewoon niet genoeg diensten met een certificaat zullen zijn.

Het denken over arbeidsomstandigheden is volop in ontwikkeling - de laatste jaren wint de zogeheten integrale benadering snel terrein: medische, ergonomische en organisatorische aspecten zijn zodanig met elkaar verweven dat het doorgaans weinig zin heeft je op één aspect te concentreren. Vandaar ook dat arbo-diensten al die deskundigheden in huis moeten hebben - en de perspectieven voor mensen die er verstand van hebben zijn gunstig. Zo heeft iedereen die afstudeert als arbeidshygiënist aan de Landbouwuniversiteit in Wageningen onmiddellijk werk, aldus C. Dirks van de Nederlandse Vereniging voor Arbeidshygiëne. Er zijn nu ongeveer 225 arbeidshygiënisten en hun aantal groeit met tien procent per jaar. Twee hogescholen zijn inmiddels ook met een opleiding tot arbeidshygiënist begonnen.

Een toenemend aantal universiteiten en hogescholen ziet brood in studierichtingen en afstudeerspecialisaties op arbo-gebied. Zij organiseren ook marktgerichte post-HBO en post-academische opleidingen. Marktleider op het gebied van arbo-cursussen is naar eigen zeggen het NIA, met een cursusomzet van circa vijf miljoen gulden per jaar. Daarvoor ontvangt het instituut jaarlijks vijf- tot tienduizend cursisten, zowel deskundigen als managers, personeelswerkers, leden van ondernemingsraden en "gewone' werknemers.