Zakelijke investeringen zijn voor de Derde wereld beter dan hulp; Er bestaat een schreeuwende behoefte aan financiering van projecten in de particuliere sector

Iemand die investeert wil daar uiteindelijk zelf beter van worden. Er is veel voor te zeggen om dat uitgangspunt meer dan nu het geval is toe te passen op ontwikkelingssamenwerking. Dat wordt bovendien door de ontvangers toegejuicht. Het mes snijdt dan aan twee kanten.

Het onderscheid tussen investeringen in ontwikkeling en hulpschenkingen, krijgt veel te weinig aandacht. Beide vormen staan dwars door elkaar in de begroting van 6,5 miljard gulden voor ontwikkelingssamenwerking. Een deel van die middelen wordt weggegeven à fonds perdu (zonder uitzicht op terugbetaling). Maar een ander deel wordt geïnves- teerd: Nederland behoudt een deelneming of schuldtitel. Vroeg of laat vloeien die middelen weer terug.

Investeren gaat automatisch samen met de zakelijke en efficiënte aanpak die tegenwoordig zo vurig bepleit wordt. Een investering vergt een levensvatbaar project dat produktief genoeg is om de financiering terug te betalen. Hierdoor wordt het resultaat meetbaar. De terugbetaling is als het ware een ingebouwde graadmeter voor het succes van het ontwikkelingsproject.

Investeren betekent dat produktieve krachten ter plaatse aan het werk gezet worden. Dat is de kern van gezonde ontwikkeling: de mensen moeten het zelf doen. Geen vis geven, maar leren vissen. De ontvanger ervaart dat als samenwerking op basis van gelijkwaardigheid. Vandaar dat de investeringsrelatie tussen Indonesië en Nederland overeind is gebleven toen de hulp werd stopgezet.

Nu vrijwel alle ontwikkelingslanden de basisbeginselen van de vrije-markteconomie onderschrijven, is er een schreeuwende behoefte aan financiering voor veelbelovende investeringsprojecten in de particuliere sector. Maar juist nu is kapitaal schaars: grote aanbieders zoals Japan en Duitsland zijn weggevallen, de VS blijven zelf kapitaal aantrekken en Oost-Europa is een nieuwe concurrent aan de vraagzijde.

In deze situatie kan een overheid zonder de markt te verstoren een bijdrage leveren aan de bevordering van investeringen in ontwikkelingslanden. Op grond van slechte ervaringen in de jaren tachtig deinst de internationale markt terug voor de risico's van lange-termijnfinancieringen in ontwikkelingslanden. De prijs van tweedehands schuldtitels van ontwikkelingslanden op de markt, en de voorzieningenpercentages die De Nederlandsche Bank de banken voorschrijft voor dit soort kredieten, zijn duidelijke graadmeters van die risico's. Voor veel ontwikkelingslanden belopen de percentages 50 procent of meer.

Ontwikkelingsbanken zijn erop ingesteld om deze investeringsrisico's te beheersen. Op de Nederlandse begroting voor ontwikkelingssamenwerking staan bijdragen voor twee soorten ontwikkelingsbanken. Enerzijds de banken die leningen geven aan overheden voor projecten in de publieke sector, zoals de Wereldbank en de Asian Development Bank. Anderzijds ontwikkelingsbanken die rechtstreeks particuliere investeringen financieren, zoals de International Finance Corporation (IFC), een zusterinstelling van de Wereldbank, en onze eigen Nederlandse Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO).

Ook andere Europese landen hebben eigen ontwikkelingsbanken voor de particuliere sector: bijvoorbeeld de DEG in Duitsland, CDC in Engeland, Cofides in Spanje. Samen worden zij de "Interact'-instellingen genoemd naar het informele clubverband waarin zij en de FMO reeds jarenlang samenwerken.

Iedere gulden of dollar die deze banken investeren leidt tot een belangrijk hefboomeffect. De IFC bijvoorbeeld heeft met haar financieringen in ontwikkelingslanden goede resultaten weten te boeken. Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat commerciële banken graag meedoen in syndicaat-financieringen onder de vlag van de IFC. Zodoende wist de IFC in 1991 voor elke dollar die ze zelf investeerde nog een tweede dollar van een commerciële bank te mobiliseren, waarmee uiteindelijk (tezamen met bijdragen van derden) voor 7 dollar in ontwikkelingslanden geïnvesteerd werd. IFC's financiering van $ 1,5 miljard droeg zodoende bij aan $ 10,7 miljard investeringen. De FMO berekent voor zichzelf in 1991 een soortgelijke hefboom van ƒ 1,- financiering leidend tot ƒ 4,70 investeringen.

Deze investeringen leiden tot duurzame en produktieve werkgelegenheid, en dat is de enige doeltreffende methode om armoede te bestrijden. Daarbij tellen niet alleen de bedragen, ook de selectie van investeringsprojecten door die banken levert een bijdrage aan ontwikkeling. Door project-evaluatie, waarbij naast financiële rentabiliteit ook gekeken wordt naar andere maatschappelijke effecten, worden investeringen voorkomen die niet rendabel zijn voor de samenleving.

In de investeringsprojecten werken Westerse en lokale bedrijven vaak samen. Dat gaat dan gepaard met overdracht van moderne technologie en managementtechnieken, en toegang van lokale bedrijven tot de internationale markt. De ontwikkelingsbanken zelf werken samen met banken ter plaatse, en leveren zodoende een bijdrage aan de opbouw van een gezonde financiële infrastructuur in ontwikkelingslanden.

Komt het geld inderdaad terug? De IFC, opgericht in 1956, is het verst gevorderd. Meer dan 90 procent van de verstrekte leningen wordt terugbetaald. En haar deelnemingen beginnen, na vele jaren geduld, goed te renderen. De FMO, opgericht in 1970, realiseert momenteel een terugbetalingspercentage van 82 procent op haar leningen, nog steeds aanzienlijk hoger dan de gemiddelde ervaring op de markt van commerciële financieringen in het afgelopen decennium met lange-termijnleningen aan ontwikkelingslanden. Daarbij moet bedacht worden dat leningen van genoemde ontwikkelingsbanken zowel onderhavig zijn aan het landenrisico als aan het debiteurenrisico verbonden aan nieuwe bedrijfsinvesteringen.

Waar komt de overheidsbijdrage in het spel? De rentemarges die de ontwikkelingsbanken realiseren zijn onvoldoende om zowel hun apparaatkosten als de voorzieningen voor slechte betaling te kunnen dekken. De meest gekozen oplossing is de ontwikkelingsbank te voorzien van veel meer eigen vermogen dan bij gewone banken gebruikelijk is. Daardoor dalen de financieringslasten en wordt de rentemarge groter. De bank kan dan winst maken, maar die is als regel niet voldoende voor een commercieel rendement op het eigen vermogen. In de acceptatie van dat lagere rendement schuilt de bijdrage van de overheid en/of andere verschaffers van eigen vermogen.

Deze vorm van overheidsinterventie in financiële markten werkt niet marktverstorend en is internationaal algemeen geaccepteerd. Financieringen van ontwikkelingsbanken zijn additioneel aan commerciële financieringen. Ook in Nederland zijn een aantal regionale ontwikkelingsbanken actief en intervenieert de overheid via een garantieregeling voor het midden- en kleinbedrijf.

Als bepaalde ontwikkelingslanden voldoende kredietwaardig worden, stroomt zoveel kapitaal toe dat de ontwikkelingsbank niet meer kan concurreren met commerciële banken. Dat geldt bijvoorbeeld voor een land als Maleisië. Ontwikkelingsbanken zoeken dan nieuwe uitdagingen in andere landen (zolang de voorraad strekt!) waar hun speciale mogelijkheden meer opleveren.

Het eigen vermogen dat de overheid heeft geïnvesteerd blijft met deze werkwijze volledig intact. Die middelen worden door de ontwikkelingsbank keer op keer hergebruikt; ontvangen aflossingen en opbrengsten van deelnemingen worden als roulerende fondsen opnieuw in projecten in ontwikkelingslanden geïnvesteerd. Dat levert dus een tweede multiplier-effect op: dezelfde gulden wordt meerdere keren geïnves- teerd. De Engelse CDC, opgericht in 1948, is inmiddels zover gevorderd dat ze in 1991 ƒ 130 miljoen in ontwikkelingslanden investeerde met een netto-bijdrage van de overheid van slechts ¢8 6 miljoen. De rest kwam uit haar eigen cash flow.

Kortom: er bestaat een beproefde methode van ontwikkelingssamenwerking die voldoet aan de eisen van efficiency en zakelijkheid, leidt tot duurzame bestrijding van armoede, en die door de ontwikkelingslanden zelf verwelkomd wordt om de gelijkwaardigheid in de relatie. Bovendien komt het geld na verloop van tijd weer terug. Dit moet toch een aantrekkelijk perspectief zijn voor een minister voor ontwikkelingssamenwerking wiens begroting onder druk staat?