Vrijen

In het Vijverbos stonden een jongen en een meisje tegen een boom, of eigenlijk, het meisje stond tegen de boom, de jongen tegen het meisje. Ik wilde omkeren, maar ze hadden me al gezien.

Zestien waren ze, beginnelingen. De jongen was er zoéén met rood haar en een sproetenkop. Toen hij een stapje achteruitging, kwam hij bovendien in het licht van de ondergaande zon te staan. Alsof hij in brand vloog.

Ik probeerde niet breder te grijnzen dan absoluut onvermijdelijk en zei dat ik er zo meteen nog een keer langs zou moeten, want het paadje waarop we ons bevonden liep dood.

“Daar zal ik rekening mee houden”, antwoordde de jongen handig.

Van het meisje helaas niet meer dan een indruk van halflang blond en lekker slank en iets groens met betrekking tot haar kleren. Het is buitengewoon lastig een vrijend meisje aan te kijken, tenzij jij degene bent die met haar vrijt natuurlijk.

Voor alle duidelijkheid: ik gebruik het woord vrijen hier in de betekenis van ongeveer 1960, van ver voordat het werd vergiftigd door hulpverleners en voorlichtingscampagnes. Vrijen, dat was het zoenend en zuchtend aftasten van de mogelijkheden, niet meer, niet minder. Vrijen was altijd veilig.

Boven de vijver verschoten de pijlpunten van boerenzwaluwen. Buiten het bos kraste een kraai. Nog verder buiten het bos weerklonken stemmen en het stuiteren van een bal tegen een muur. Het bleef nog lang warm gisteravond.