Vluchtelingen in Kroatië niet gewenst

ZAGREB, 20 JULI. Als door een wonder is de Kroatische hoofdstad Zagreb dit weekeinde plotseling verlost van al die duizenden onwelkome, ongewassen en hongerige vluchtelingen uit Bosnië-Herzegovina, die de afgelopen week de grasvelden rond de moskee en de stations in een aantal voorsteden hadden bevolkt.

“Ze zijn onderweg naar Rijeka, en vandaar gaan ze per boot terug naar Bosnië-Herzegovina”, zegt de stationschef in Zapresic, sprekend over de ongeveer tweeduizend gevluchte mannen die hier dit weekeinde per trein waren opgedoken.

Zij waren Bosnië aan de noordkant ontvlucht, bij de brug tussen Bosanski Brod en het Kroatische Slavonski Brod. Aan de zuidkant, vanuit door de Kroaten in Herzegovina gecontroleerd gebied, zullen ze de strijd weer worden ingestuurd, aldus de stationschef. Want Kroatië ziet mannen tussen zestien en zestig jaar niet als vluchtelingen maar strijders die moeten gehoorzamen aan de algehele mobilisatieorders in het buurland Bosnië-Herzegovina. De trein waarin ze hier vierentwintig uur lang verbleven werd door Kroatische politie dan ook streng bewaakt.

Politie is er ook in de buurt van de moskee in Zagreb, om te verhinderen dat hier opnieuw een tentenkamp van Bosnische vluchtelingen ontstaat. Van de duizenden, voornamelijk vrouwen en kinderen die hier de afgelopen week waren neergestreken - in de keurige Kroatische hoofdstad woeste geruchten teweegbrengend over prostitutie en diefstal - is geen spoor meer te bekennen.

Sommigen, vertellen inwoners van Zagreb, zijn op de treinen gezet, die dit weekeinde na veel aarzeling tot Oostenrijk, Italië en Duitsland werden toegelaten. Anderen zijn vertrokken in de richting van de stad Djakovo, in Oost-Slavonië, waar met geld van de Arabische landen een vluchtelingenkamp met vijfduizend plaatsen zal worden ingericht.

Kroatië kortom, maakt ernst met de eerdere aankondiging dat deze nieuwbakken zelfstandige staat geen vluchtelingen meer op zijn grondgebied zal toelaten, wanneer andere landen zich niet bereid verklaren deze op te nemen.

Kroatië, waar binnenkort verkiezingen worden gehouden, ziet, na de honderdduizenden "displaced persons' die het gevolg zijn van de oorlog binnen Kroatië zelf, weinig heil in de opvang van nog eens honderdduizenden uit Bosnië-Herzegovina. Met ongeveer 600.000 vluchtelingen vindt de regering in Zagreb het welletjes.

Fadila (38) is drie dagen geleden in Zagreb aangekomen, na een avontuurlijke tocht van drie weken die haar, als moslim, van de door de Serviërs ingenomen stad Zvornik via Servië en Hongarije naar de Kroatische hoofdstad bracht.

“Ik had gehoord dat er van hier transporten waren naar Tuzla (terug Bosnië in, red.). Maar nu blijkt Tuzla, waar mijn zuster woont, door de Serviërs belegerd en afgesloten, dus ik weet niet waar ik heen moet”.

Pag 5: Wij noemden elkaars namen niet

Fadila, die aan de ontruiming van de grasvelden rond de moskee is ontsnapt omdat ze bij kennissen in de stad onderdak had gevonden, neemt deel aan de dagelijkse stille ommegang van moslim-vrouwen voor de moskee van Zagreb. Ongeveer tweehonderd vrouwen met hoofddoeken, sommigen huilend, lopen plechtig drie keer het plein rond, achter borden met opschriften als “Redt onze kinderen, redt Bosnië” en “Bosnië heeft geen olie, wel mensen”. “Voor de zielen van de gesneuvelde strijders”, legt een ordebewaarder op het plein het ritueel uit, en via de geluidsinstallatie weerklinkt de klacht, dat de Serviërs regelmatig moslim-vrouwen verkrachten.

“Ik was een van de laatste moslims die Zvornik verliet”, vertelt Fadila, nadat ze haar hoofddoek heeft afgedaan, en terwijl de meeste deelneemsters aan het ritueel min of meer haastig de door politie zwaarbewaakte omgeving van de moskee weer verlaten. Zij had zich als werkneemster op het postkantoor van Zvornik eigenlijk nooit zo beziggehouden met zaken als haar nationaliteit of het islamitische geloof en dan ook lang gedacht dat het mogelijk zou zijn in het al eind april ingenomen Zvornik te blijven werken en wonen. “Maar het werd steeds erger”, vertelt ze nu, “met vrouwen die 's nachts van huis werden gehaald en verkracht en dan ook met een mes beledigingen op hun borst kregen gekrast”.

Aanvankelijk kon ze zich in veiligheid brengen aan de andere kant van de grensrivier met Servië, in Mali Zvornik. “Op de brug hielden Servische militionairs de wacht, die je wel kon omkopen zodat ze je doorlieten. In Mali Zvornik leefden we min of meer ondergronds, en we durfden elkaar niet op straat bij de naam te noemen. De wegen uit Mali Zvornik, Servië in, werden gecontroleerd door Arkanovci (soldaten uit het privé-leger van de Belgradose onderwereldkoning Arkan, red.). Die durfden we niet te passeren, maar op een ochtend om vier uur sliepen ze en zijn we op weg gegaan”, vertelt Fadila. Servische politieposten lieten hen door tot Subotica aan de Hongaarse grens.

Elke vluchteling heeft zijn eigen verhaal. Jasmin (31) staat even terzijde te luisteren naar Fadila's geschiedenis. Hij komt uit Tuzla, een van twee overlevenden, zegt hij, uit een eenheid van de Territoriale verdediging van Tuzla van 22 man. “Twintig werden gedood, ik met een ander gevangen genomen. Maar op een avond was onze Servische bewaker dronken en konden we door een dakraam ontsnappen”. Hij is in Zagreb omdat hij gehoord had dat zijn moeder hier is, maar hij heeft haar nog niet gevonden. Zijn vader is gedood. Hij wil weer terug, doorvechten, zegt hij.

Stefica (65) hoort het hoofdschuddend aan. Ze is Kroatische en komt uit de buurt van Zagreb. Ze heeft zich aangesloten bij een vrijwilligersgroep “Fort voor vrede”, die vooral probeert kinderen die het slachtoffer van de oorlog zijn te helpen. Laatst is ze met een expeditie mee geweest naar Gunja, bij Brcko in Noord-Bosnië, om melk te brengen naar een kindertehuis, een hele tankwagen van vierduizend liter vol. “Maar de melk is niet aangekomen. De Serviërs namen de auto onderweg in beslag en zeiden dat zij wel voor verder transport zouden zorgdragen. De kinderen, hebben we gehoord, hebben alleen waterige thee met melk gekregen”. In april was ze begeleider van een transport van 160 kinderen jonger dan twee jaar, dat door de Sloveense autoriteiten negentien uur in de buurt van Ljubljana werd tegengehouden.

Het geschuif met en terugsturen van de vluchtelingen uit Bosnië-Herzegovina komt op een moment, dat allerwege gevreesd wordt dat het aantal mensen dat zich naar Kroatië begeeft dramatisch kan toenemen. Het vorige week in Londen ondertekende staakt-het-vuren had gisteren een eind aan de gevechten in de bergachtige republiek moeten maken maar wordt op veel plaatsen geschonden. Mocht de situatie alsnog tot rust komen, denken velen, dan zouden nog wel eens veel meer mensen kunnen proberen zich uit de voeten te maken. Volgens een schatting van het Hoge Commissariaat voor de vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR) zijn binnen de grenzen van Bosnië-Herzegovina nu al zo'n 600.000 mensen op drift, zowel moslims als Serviërs als Kroaten.

Een crisissituatie bestaat in Slavonski Brod, waar volgens ooggetuigen de Kroatische politie gewapenderhand de bevolking van de voornamelijk door Kroaten bevolkte streek Posavina de overtocht naar Kroatië wil beletten. De Kroatische generaal Antun Tus bevestigde gisteren op de Kroatische televisie dat Servische troepen deze streek, aanvankelijk in handen van de HVO (het Kroatische leger in Bosnië-Herzegovina), geheel hebben veroverd en alleen nog maar Bosanski Brod, aan de andere kant van de brug, in Kroatische handen is. Sommigen van de tweeduizend mannen die een etmaal op het stationnetje van Zapresic bij Zagreb hebben gestaan, waren van mening dat hun huis en haard in Posavina door de Kroaten in geheime onderhandelingen met de Serviërs was verkwanseld in ruil voor territoriale integriteit voor Herceg-Bosna, de eigen republiek van de Kroaten in het zuiden van Bosnië-Herzegovina. Dat is dan ook precies het gebied, waarheen ze in de nacht van zaterdag op zondag zijn afgevoerd.