Opiniepeiling

Het artikel "Opiniepeiling kent grote foutenmarge' (NRC Handelsblad, 7 juli) kan de lezer op het verkeerde been zetten. Zoals bekend was in 1986 de uitkomst van de laatste peilingen niet conform de uitslag van de Tweede-Kamerverkiezing. Hieraan is in de media destijds terecht veel aandacht besteed. Uitvoerige analyses hebben de oorzaken blootgelegd. De belangrijkste was het feit dat zich tussen de laatste peilingsdatum en de feitelijke verkiezingen nog veel kiezers tot het CDA hebben bekeerd. Bij andere partijen deed een dergelijke tendens zich niet voor.

Bij de talrijke verkiezingen voor en na 1986 gaven de peilingen van Inter/View wèl adequaat de trend in de uitslag aan. Het gaat ons te ver om op grond van één mislukt peilingsresultaat de gehele methode af te zweren.

Hoewel grotere steekproeven tot meer nauwkeurigheid leiden, vinden wij een wekelijkse steekproefgrootte van bijna veertienhonderd respondenten voldoende om de politieke voorkeur van week tot week vast te stellen en zeker om op basis van vierwekelijkse gemiddelden trends te signaleren.

De "geheimzinnige bewerkingen' waarmee de bureaus "hun eigen beeld van de werkelijkheid creëren' en die "met gemak bijstellingen met vier procent tot gevolg kunnen hebben' zijn niet geheimzinnig. Over de gehanteerde methode is uitvoerig gepubliceerd, bijvoorbeeld in Acta Politica. Dat deze bewerkingen met gemak vier procent verschil teweeg zouden brengen, is een verdraaiing van de feiten. In de praktijk gaat het om tienden van procenten. Bij het vergelijken van peilingen wordt nogal eens vergeten dat de uitkomsten van de peilingen van week tot week verschillen en dat het vergelijken van peilingen die in verschillende periodes door verschillende bureaus gehouden zijn, wel moet leiden tot substantiële verschillen.