Intermediair tussen nazi's en het daglicht; Profiel van David Irving

Een oplichter, vindt professor Maarten Brands. En dat is nog een mild oordeel vergeleken bij dat van anderen. De Amsterdamse boekhandel Athenaeum weigert zelfs zijn boeken te verkopen. Hij is persona non grata in Duitsland, Oostenrijk en Italië. De Engelse schrijver David Irving is meer dan omstreden, hij wordt algemeen verafschuwd om zijn standpunt dat de gaskamers van Auschwitz nooit hebben bestaan. Toch huurde de Sunday Times hem in om de dagboeken van Joseph Goebbels te transcriberen en te vertalen. “Ik ben blij dat ik de historici kan helpen”, zegt Irving zelf.

Zijn tegenstanders, zegt David Irving, zijn de wanhoop nabij. Ze kunnen hem alleen nog met rechtszaken aan, hij heeft het wetenschappelijke gelijk aan zijn kant. Nog een jaar, schat hij, “dann wird der Spuk vorbei sein” - dan gelooft niemand meer dat er tijdens de Tweede Wereldoorlog joden zijn vermoord in gaskamers.

David Irving is in 1938 geboren in Essex als zoon van een marine-officier. Na school (“Het enige vak waar ik voor zakte was geschiedenis”) ging hij natuur- en scheikunde studeren. Hij maakte zijn studie niet af, maar verhuisde naar het Roergebied waar hij als metaalarbeider ging werken. Een jaar later keerde hij tweetalig terug naar Groot-Brittannië en begon een studie politieke geschiedenis die hij al spoedig afbrak. “Ik werd een bestsellerschrijver.”

Irvings bestsellers, vooral populair in Duitsland en de Verenigde Staten, gaan over de Tweede Wereldoorlog. De lijn van zijn betoog is van meet af aan geweest dat de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog evenzogoed oorlogsmisdaden hebben begaan als de Duitsers. De officiële geschiedschrijving, aldus Irving, is "overwinnaarsgeschiedenis' en niet de waarheid. Vandaar dat hij zijn publiek graag, met een parafrase van Hitler, mag vragen: “Wollt ihr die totale Wahrheit?”

Zijn eerste boek "The Destruction of Dresden' (1966) geeft de nazi-Duitse versie van de 'totale waarheid": het aantal slachtoffers van de geallieerde luchtaanvallen dat de Duitsers in 1945 naar buiten brachten, neemt hij over. In zijn ogen is de ware agressor van de Tweede Wereldoorlog niet Hitler-Duitsland maar het Engeland van Churchill. (Waarmee hij zich in gezelschap van Joseph Goebbels bevindt).

In zijn "The Destruction of Convoy PQ. 17' beschuldigde Irving de Engelse konvooi-kapitein Broome ervan door verkeerde bevelen het hele konvooi naar de kelder te hebben gejaagd. De kapitein sleepte Irving voor de rechter en kreeg 40.000 pond schadevergoeding. Het zou niet de laatste boete zijn die hij moest betalen voor zijn uitlatingen. Zijn uitspraak dat het Dagboek van Anne Frank een vervalsing is (een geliefd thema in de extreem-rechtse literatuur) werd bestraft met opnieuw een boete. Dit jaar werd hij door de Duitse rechter veroordeeld tot een boete van 10.000 mark naar aanleiding van een toespraak in een Münchener Bierkeller. Daar had hij geopenbaard dat de holocaust een verzinsel was van de Britse dienst voor Psychologische oorlogsvoering en dat de gaskamers na de oorlog zijn gebouwd door de Polen bij wijze van toeristische attractie. Irving: “Dat standpunt is rampzalig voor mijn financiële positie. Ik word geboycot. Mijn lezingen worden afgelast. Mijn agent wordt er nerveus van.”

Maar Irving heeft een missie: de waarheid moet zegevieren. Tijdens een discussie in 1978 met gevierde Duitse historici als Ernst Jäckel en Werner Maser vertelde Irving dat hij de keel-, neus- en oorarts had opgezocht die Hitler had behandeld na de aanslag van 20 augustus 1944: dr. Erwin Giesing. “Hij gaf mij zijn dagboek. Ik vraag hem: waarom geeft u mij dit, dr. Giesing?” In het dagboek stond het antwoord: Hitler zei zijn arts dat hij hoopte dat ooit een Engelsman een objectieve biografie over hem zou willen schrijven. “Dat moet dan een Engelsman van de volgende generatie zijn”, zei Hitler. “Het moet een Engelsman zijn die de archieven kent en de Duitse taal beheerst.” En daarom, zei de arts, krijgt u van mij dit dagboek, meneer Irving.

Deze apologeet van Hitler is voortdurend op jacht naar dergelijke documenten uit de Tweede Wereldoorlog. De gevestigde historici, en dan vooral de Duitse, hebben die steevast veronachtzaamd; die schrijven alleen elkaars boeken over, vindt Irving. En gaan hem dan te lijf met "haarkloverijen', zoals hij Sebastian Haffner toesnauwde tijdens hetzelfde gesprek in 1978.

“Hij ruikt die papieren”, zegt de Engelse journalist Robert Harris, die Irving goed kent uit 1983, het jaar dat het Duitse tijdschrift Stern de dagboeken van Hitler presenteerde. Irving riep als een van de eersten dat ze vals waren. Tot een politie-onderzoek uitwees dat ze inderdaad vals waren, zei Irving plotseling dat ze wel echt waren. Uit recalcitrantie, volgens Harris, die een boek over de affaire schreef, maar ook omdat de "dagboeken' zijn belangrijkste stelling van dat moment ondersteunden, namelijk dat Hitler niet van de Holocaust wist.

In zijn eerste boeken huldigde Irving de opvatting dat Himmlers SS achter de rug van de Führer om de joden uitroeide. In 1986 zei hij nog: “Hitler heeft altijd zijn hand beschermend over de joden uitgestrekt.” Hij heeft regelmatig een beloning uitgeloofd voor degene die hem een document kan laten zien waaruit het tegendeel zou moeten blijken.

Het is geen wonder dat Irving telkens nieuwe schriftelijke bronnen tevoorschijn tovert, aldus de Vlaamse historicus, dr. Gie van den Berghe: “De man heeft duidelijk kanalen”, doelend op zijn connecties met neo-nazi's en oud-nazi's. Irving ontkent dat niet: “Ik heb urenlang koffie gedronken met oude nazi-weduwen en het uitzicht over de Chiemsee bewonderd. Ik heb documenten die nog nooit iemand gezien heeft.” Als de gesprekspartners niet zo gewillig zijn, zo vertelde hij Harris, paait hij hen door een theelepeltje te tonen met Adolf Hitlers monogram. “Dat lepeltje heeft vele deuren geopend”, zegt Irving trots. “Als je iets over Hitler wilt weten, moet je nazi's inhuren. Verdomme, als je kanker wilt onderzoeken, zeg je toch ook niet "Waarom ga je om met al die kankerpatiënten?' ”

Zijn oogst aan nieuwe documenten wekt bewondering maar ook wantrouwen. De Britse historicus Martin Middlebrook is eventueel bereid Irving als een "mede-schrijver' te betitelen, maar een collega-historicus zal hij hem nooit noemen. In een als geschiedschrijving gepresenteerd artikel van Irving, "Und Deutschlands Städte starben nicht: ein Dokumentarbericht' uit 1963, stuitte Middlebrook namelijk op een kapitale leugen over de luchtaanval op Neurenberg. Die luchtaanval liep uit op een van de grootse rampen voor de Britse RAF. Van de 779 bommenwerpers moesten bijna honderd als vermist worden opgegeven. Hardnekkige geruchten wilden dat de Duitsers vooraf van het bombardement wisten en hun maatregelen hadden getroffen.

In zijn "Dokumentarbericht' voerde Irving een getuige op die dat kon bevestigen: de telegrafist, sergeant Richard Jefferson van het Pathfinder-squadron. Middlebrook heeft alle leden van het Pathfinder-squadron kunnen traceren. Er was geen sergeant Jefferson bij. De enige RAF-medewerker in 1944 die Jefferson heette, was een elektricien die in het Midden-Oosten gestationeerd was. “Irving verzint dingen om zijn verhalen mooier te maken. En dat zou nog niet zou erg zijn, maar”, zegt Middlebrook, “He starts these hares running” - anderen schrijven zijn verhaal voor waar over.

Tot het eind van de jaren tachtig leek Irving, door gevaarlijker gekken omringd, zo kwaad nog niet met zijn opvatting dat er wel een holocaust had bestaan, maar dat Hitler van niks wist. De Engelse dr. Gill Seidel heeft in 1986 het hele netwerk van de ontkenners ontrafeld. In haar boek "De ontkenning van de Holocaust' kwalificeert zij Irving nog als de "zachte variant'. De kwalificatie "hard' reserveert zij voor mensen als A.R. Butz, schrijver van "The Hoax of the Twentieth Century', die van meet af aan de hele holocaust hebben ontkend, terwijl Irving toentertijd zover nog niet was.

Juist dat flinterdunne vernis van respectabel historicus is van levensgroot belang voor Irving. Anders zou hij niet opvallen tussen de brallende, racistische en neo-nazistische pamflettisten. Daarom, geeft Irving toe, wil hij ook zo graag de Goebbels-dagboeken bezorgen. De Sunday Times verleent hem met deze opdracht een air van gezag. Hij is de intermediair tussen de neo-nazi's en het daglicht.

Het paradoxale is dat hoe meer hij naar het standpunt van de neo-nazi's overhelt, hoe minder ze aan hem hebben. Die gebruiken liefst de namen van gevestigde, onverdachte historici, van wie ze zoveel mogelijk meerduidige citaten proberen los te weken uit de context als "bewijs' voor hun eigen gelijk.

Eerbiedwaardige historici als de Amerikaan Raul Hilberg en de directeur van het Israelische holocaust-archief Yad Vashem, Samuel Kradowski, zijn door de ontkenners aangehaald om te bewijzen dat er geen gaskamers hebben bestaan.

Zo ook Irving. Maar er is een groot verschil tussen mensen als Hilberg en Kradowski en iemand als Irving. Zoals prof. dr. Maarten Brands van de universiteit van Amsterdam zegt: “Niet iedereen krijgt het publiek dat hij verdient, sommigen worden misbruikt door de neo-nazi's. Irving krijg exact het publiek dat hij verdient.”

In 1989, bij een congres ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van het Institute for Historical Review (dat is opgericht om te bewijzen dat de jodenuitroeiing nooit heeft plaatsgevonden) maakte Irving een enthousiast publiek deelgenoot van zijn bekering: “I too now believe fully in the myth of the Holocaust”. Weduwe Rost van Tonningen was op hetzelfde congres om haar instemming met deze visie te betuigen.

Irving is overtuigd (“Het is wetenschappelijk bewezen”, zegt hij zelf) door een verslag van de Canadees Fred Leuchter. Deze Leuchter, die zichzelf voor ingenieur uitgeeft en gaskamers heeft gebouwd in Amerikaanse gevangenissen, heeft in de resten van de gaskamers in Auschwitz, Majdanek en Treblinka geen sporen van cyanide kunnen vinden. Ergo: er zijn geen joden vergast. Sommigen zijn inderdaad vermoord door Duitsers, wil Irving desgevraagd nog wel erkennen: “Enige tienduizenden in Rusland.”

Hij is een veelgevraagd spreker in neo-nazistische kringen in Engeland (waar hij een rechts-extremistische partij, Focus, heeft opgericht), de VS, België, Oostenrijk en Duitsland. In de laatste landen moet de ongewenste vreemdeling Irving als illegaal worden binnengesmokkeld door zijn gastheren, zoals de Deutsche Volksunion en de Gesellschaft für Freiheitliche Publizistik.

Irving is sindsdien, aldus Robert Harris “behoorlijk gek geworden” en identificeert zich “ongetwijfeld” met Hitler, en begint zelfs fysiek op hem te lijken. Serieuze historici, die eerst nog ten minste zijn kwaliteiten als documenten-jager erkenden, vinden hem nu te vies om aan te pakken. Brands: “Historici moeten hun naalden schoonhouden, heet het. Deze man hanteert naalden waar klonten bacterieën aan zitten.” Verder wil Brands weinig woorden aan hem vuil maken: “Hij behoort tot de weinig interessante categorie mensen die volhouden dat een ronde tafel vierkant is.”

Geen wonder dat het bericht opschudding veroorzaakte, dat juist deze man - naar verluidt voor 250.000 gulden - Goebbels' ontbrekende dagboeken gaat openbaren. De Sunday Times, geschrokken van alle commotie, schreef vorige week in zijn hoofdartikel dat Irving alleen was aangenomen voor de transcriptie en dat hij een van de weinigen is die Goebbels hanepoten kan lezen. Maar Irving lacht om de wankelmoedigheid van de krant: “In mijn contract staat echt iets anders, hoor. En een typist zouden ze ook niet zoveel betalen.”