Het vreselijke lijden van Nijdam

ALPE d'HUEZ, 20 JULI. “Il souffre, il souffre terrible.” Jean-Luc Bertrand zuchtte het voor de zoveelste keer, terwijl hij een zakdoek pakte om zijn tranen te drogen. Naast me in de volgauto keek hij me met vragende ogen aan. Het was duidelijk, de orthodontist uit Lyon, incidenteel medewerker van een Frans tv-station, wilde de hevig gekwelde Tourrenner Jelle Nijdam helpen. Slepen? “Mag absoluut niet”, antwoordde ik, “want dan schopt de organisatie Jelle, u en mij de Tour uit.”

Het was alsof Nijdam voelde dat er verdeeldheid was in de enige aanwezige auto. Eerst aarzelde hij. Was zijn vader Henk, ook coureur, 25 jaar geleden niet uit de Tour verbannen omdat hij zich door een wagen liet voortrekken? 't Kon hem ten slotte niks meer schelen. De nood was ten top gestegen. “Luister eens even”, stamelde hij plotsklaps in onze richting. En terwijl hij zich aan het raam vastklampte schreeuwde hij: “En nu gas, volop gas.” Het ging hard, wel 100 kilometer per uur. Even slechts, maar het was genoeg. “Bedankt”, riep Nijdam terwijl hij verder stoof, “bedankt.”

Eindelijk, eindelijk had hij die Redant voor hem te pakken. En in de volgende afdaling streken ze neer op een grote groep gelosten. De Nederlander was veilig. Er wachtten nog twee cols, Nijdam ging ze overwinnen. Bleef bij, maar het was enorm afzien. Dat gebeurde onder voortdurend applaus. Hetgeen stimuleerde, al was het niet voor Nijdam bestemd. De toeschouwers joelden en klapten voor de arme Franse kampioen Luc Leblanc en Greg LeMond, die gigantisch waren ingestort en Sestrières temidden van gesloopte mindere goden bereikte.

Claudio Chiappucci was al drie kwartier binnen toen een groep achterblijvers kreunend en steunend over de finish gingen. Rob Harmeling viel uitgeput in de armen van een verzorger, Nijdam stamelde “geen meter meer te kunnen fietsen” en Jan Siemons was er, liggend tegen een dranghek, zo erg aan toe dat mannen in witte jassen met een zuurstofapparaat toesnelden. Zaterdag 18 juli was de zwaarste Touretappe en zorgde voor veel bloed, zweet en tranen. Bij de favorieten, maar vooral bij de renners die niet zijn begiftigd met klimtalenten. Nijdam: “Het is vreselijk. We kunnen niet bergop rijden, worden al na dertig kilometer gelost, maar moeten er desondanks keihard tegenaan blijven gaan. Want het spook ligt op de loer. Komen we te laat binnen, dan worden we uit de koers gezet.”

Maar wie niet sterk is, moet slim zijn. Sinds mensenheugenis proberen de zwakke broeders in de cols daarom hun krachten te bundelen. Onder het motto eendracht maakt macht of gedeelde smart is halve smart. Eenmaal teruggeworpen vormen ze een kudde ploeteraars, die in hun kringen de bus wordt genoemd. De meerijders, die afzien van demarrages en elkaar in alle opzichten helpen, heten duiven. In het begin van de jaren zestig was Gerben Karstens hun grote regisseur: als de nood aan de man kwam verzamelde de Leidse notariszoon zelfs een compleet peloton om zich heen. De groep was zo groot dat er - als ze na de sluiting van de tijdcontrole over de streep ging - gewoonlijk een generaal pardon volgde van de Tourdirectie.

Nijdam begon in Saint-Gervais met angst en beven aan de dertiende etappe. Niet alleen omdat de tocht vijf zware bergen telde, ook omdat het tempo deze Tour zo verschrikkelijk hoog ligt. De renner van Buckler herinnerde zich nog dat er vroeger een ongeschreven wet bestond, die eiste dat er op de eerste col “gereserveerd” werd gereden. Versnelde iemand daar toch extra, dan klonk er massaal een “ho, ho, ho” uit de monden van boze collega's. Gianni Bugno probeerde de oude regel afgelopen vrijdag in ere te herstellen. De wereldkampioen ging bij de eerste heuvel op kop rijden en maande zijn collega's met gespreide armen het nog even rustig aan te doen. “Van alle kanten stoven ze hem voorbij. Op de Col des Saisies (zaterdag de eerste Alpenreus) ging het al weer even hard. Ik was dus meteen gezien”, wist Nijdam nog.

En hij niet alleen. Links en rechts haakten ze af, de sprinters, de knechten en de opgebrande jongeren. De slimme Nijdam vond snel een geschikte bus, met goede duiven. In zijn buurt zag hij drie man van de formatie Z, de onverwoestbare Gilbert Duclos-Lassalle, Jean-Claude Colotti en Francois Lemarchand, zijn jonge ploegmakker Martin Kokkelkoren en nog twee landgenoten, Harmeling en Simons. Zeven anderen completeerden de groep. Als ik me in dit gezelschap handhaaf, ging het door Nijdam heen, dan kom ik op tijd binnen. Dan blijf ik binnen de limiet - de tijd van de winnaar plus twaalf procent. Aan de voet van de tweede col, de Sainte Foy Tarentaise, deed zich het eerste leed in de groep voor. Harmeling, met een hoofd als een tomaat door de brandende zon, kwam in de problemen. Zijn nummerplaatje was losgeraakt en de Twent maakte gebruik van dat defect om op adem te komen. De mecanicien van TVM hing voor de reparatie uit het raam van de auto en repareerde langer dan nodig was, intussen de gepijnigde Harmeling voortduwend.

Voor even opgekikkerd kon Harmeling verder. Terwijl volgauto's bidons vol drank aansleepten, dienden zich de volgende twee slachtoffers aan. Hendrik Redant en Laurent Dufaux moesten het groepje loslaten. Redant, 29 jaar maar hij leek wel veertig, probeerde de schade stampend op de pedalen te herstellen. Hij oogde als een ware Flandriën, met zijn opengeritst Lotto-shirt, zijn gloeiende hoofd en zijn hevig schuddende lichaam. Naast hem danste Dufaux naar de achterhoede: oorknopje in, haren keurig in model, bleek gezicht. Zijn jongenskin, waarvan het water afgutste, leek nog nooit geschoren. “Pauvre petit” riep een toeschouwster naar het net 23-jarige Zwitsertje. Ineens voelde Nijdam dat ook hij aan de beurt was. Want net als Harmeling hing hij aan een elastiekje. Was de weg steil, dan moest het zwaarlijvige koppel lossen, op iets vlakker terrein kon het weer aansluiten. Dat duurde niet eeuwig. Het touwtje van Nijdam brak, nog voor de top.

Toen Nijdam de berg had bedwongen en - soms met 100 kilometer per uur - de afdaling achter de rug had doemde de Col de l'Iseran voor hem op. Zijn benen waren al verre van best (“op de eerste col waren weinig mensen, er was dus geen duwdienst”) en toen stond er langs de weg ook nog dat bord: 36 kilometer naar de top. Nijdam: “Ik heb zware Tourritten meegemaakt. Met vier bergen of zo. Die waren dan 11 of 12 kilometer lang. Maar 36, niet te geloven. Dat slaat in je poten. Je krijgt ook een geestelijke ram, een opsodemieter. Helemaal toen ik naar boven keek. Daar, honderden meters hoger, daar zag ik de volgauto's slingeren. Misschien niet eens de eerste. Dat wordt niks meer met jou, Jelle, ging het door me heen. Met pap in mijn dijen ging ik verder.”

Het Franse publiek, massaal aanwezig langs de venijnige afgronden, juichte Nijdam hartstochtelijk toe. Alsof hij de winnaar was. Het presenteerde hem drankjes en een enkeling wilde water over hem heen gooien. Dan sloeg hij wild van zich af. Hij wilde niet nat worden, want hoe hoger hij kwam, hoe kouder het werd. Hoewel Nijdam (de teruggekeerde) Redant al héél lang een halve kilometer voor zich zag en af en toe ook zelfs de duivenbus, kwam hij maar niet dichterbij. Hij zocht steun. “Pousse, pousse, pousse”, riep hij tegen het publiek. Balancerend van links naar rechts zocht hij geschikte duwers: doorgaans stevige types, die altijd op de eerste rij staan en wel in waren voor een sprintje. “Pousse, pousse, pousse.” De Brabander werd naar de top geholpen, naar het 2770 meter hoge het dak van de Tour. Doodop was hij, maar zag nog lichtpunten.

In de afdaling moest en zou hij Rendant inlopen. En het groepje daarvóór. Dat zou zijn redding zijn. Nijdam nam alle risico's. Achterwerk omhoog, knieën tegen elkaar, hoofd over het stuur. Hij voelde dat hij kon terugkeren. Tot hij op een onverwachte zware tegenvaller stuitte: een vele kilometers lange weg, die hier en daar zelfs lichtelijk steeg. Had hij niet gezien in het rondeboek. “Verdomme”, ging het door mijn hoofd. “Nu ga ik toch nog naar de kloten.” Tot overmaat van ramp stond er een harde wind, schuin van voren. Nijdam was overvallen. En geslagen. Eenzaam, maar niet alleen. In die ene (pers)auto zat docteur Jean-Luc Bertrand, een wielerfanaat, een boksliefhebber, maar vooral een mens.