Het geheim van de geharste handen

Acht mannen in korte broek en rugby-shirt verdringen zich om de verzorger. Die haalt zijn stok uit een conservenblik. Onderaan de stok druipt kleverige, donkerbruine stroop. Acht paar handen krijgen een lik. De mannen wrijven het goedje zorgvuldig uit aan de binnenkant van hun vingers en over hun handpalm. Handen zijn hun gereedschap, hars is hun bondgenoot.

Het moet voor een wedstrijd een paar minuten drogen op de huid. In de buitenlucht wordt het kleverige sap uit naaldbomen langzaam hard. Dan gaat het plakken. Als de mannen het veld oplopen, hun hakken vastzetten in de grond en hun handen om het hennep slaan, zuigt de hars zich vast aan het touw. De handen mogen tijdens het touwtrekken niet meer van hun plaats komen. Het touw mag niet glijden. Verschuift het, dan branden de handen, klappen de kussentjes vlees dubbel, verrijzen de blaren en scheuren er stukken vel weg.

Op het Nederlands kampioenschap touwtrekken in Denekamp (Overijssel), waar de mannen van de Buffels uit Lemele in de klasse tot 720 kilogram de nationale titel veroverden, heeft ieder achttal zijn eigen "medicijnman'. Het recept is geheim. De harsmaker goochelt met ingrediënten.

Harde droge plakken hars, meestal afkomstig uit Portugal, vormen de basis. Het spul is verkrijgbaar bij reformwinkel of drogist. Per seizoen gebruikt een team ongeveer vijf plakken van een kilo, ruim honderd gulden. In een pan op een laag vuurtje krijgt de harde hars zijn vloeibaarheid terug door verdunning met terpentijn, een vluchtige olie die de fabrikant uit hars heeft gedestilleerd. Het mengsel is licht ontvlambaar. Er wil wel eens een pan in brand vliegen tijdens het verkoken. De harsmaker bereidt twee soorten: een dikkere zomerhars voor warm weer en een dunnere winterhars die ook bij lage temperaturen voldoende vloeibaar is. Het geheim zit hem in de dikte. En in bijzondere aanvullingen. De harsmaker van Herwijnen houdt het op plakken met terpentijn. De medicijnman van Eibergen voegt het verdovingsmiddel ether toe om het brandende gevoel op de handen te verminderen.

De dikte is belangrijk. De hars moet op de huid een dunne, egale laag vormen. Anders gaat het rollen, schuiven en komen er blaren. Tussen de partijen door moeten de kleine rolletjes door het zweet zwart gekleurde hars zorgvuldig verwijderd worden. Een finaledag van het NK kost twaalf tot twintig keer trekken. De deelnemers staan minimaal een half, maximaal twee uur aan het touw. Bij blaren moeten ze eerst langs de scheidsrechter. Alleen serieuze wonden mogen door de EHBO met tape worden afgeplakt.

Onder de hars lijdt het eelt. Ook daarvoor geldt: niet teveel, niet te weinig, en vooral niet te week. De avond voor de wedstrijd slaan de vrouwelijke touwtreksters de afwas een dag over. Te dik eelt vijlen zij weg. Het eelt zit bovenaan de handpalm, net onder de vingers, en bovenaan het eerste kootje. Een rand hard geel. Hoe train je eelt? Twee keer per week aan het touw, zeggen de vrouwen van de Heenwegladies, die voor de derde achtereenvolgende keer kampioen werden.

“Het is een sport voor mannen”, zegt machinebankwerker Dirk Verweij. Hij bedoelt mannen zonder kantoorbaan en wijst op zijn teamgenoten: metselaars en bouwvakkers. Zo herkenden de helden uit indianenverhalen van Karl May een groentje uit de stad. Een held op sokken geeft een hand zonder eelt.