Er is hoop voor het 'nieuwe' regenwoud in Tanzania

Afrika - Er was eens een bos, Ned.3, 20.25-21.25u.

Reportages over het kappen van 's werelds tropische regenwoud behoren doorgaans tot de categorie van de meest deprimerende televisieprogramma's: de kijker ziet de bomen vallen, weet dat het op massale schaal gebeurt, weet dat met de bomen de fauna verdwijnt, weet dat het om de groene longen van de aarde gaat en weet tenslotte dat het allemaal gebeurt terwille van de snelle winsten van onverantwoordelijke zakenlieden of voor boeren die binnen luttele jaren de gewonnen grond letterlijk door erosie zien verdwijnen.

De makers van de Deense documentaire Er was eens een bos - in 1989 gemaakt en sindsdien vier keer bekroond - brengen een experiment in het noorden van Tanzania in beeld, waarbij wordt geprobeerd niet alleen de vernietiging van het regenwoud ongedaan te maken, maar waarin ook wordt getracht de belangen van de boeren te verenigen met die van de natuur.

Van landbouw is in de Usambara-bergen altijd sprake geweest. Vroeger, voor de komst van de blanken in 1891 - in de documentaire komt een 115-jarige aan het woord die zich nog herinnert hoe indertijd de eerste Duitse missionarissen welkom werden geheten - werd de landbouw bedreven zonder dat het regenwoud werd gekapt: de boeren van toen wisten maar al te goed wat de consequentie van kappen inhield. De blanke kolonisten wisten het misschien ook, maar toen zij begonnen het hout - ceder en mahonie - te exploiteren en de inwoners van het gebied bijbrachten hoe commerciële landbouw te bedrijven was het lot van het regenwoud bezegeld. De afgelopen eeuw zijn de Usambara-bergen herschapen in een maanlandschap: na het vellen van de bossen begon met de eerste regenbui de erosie, die nog werd verergerd door overbegrazing, overstromingen en aardverschuivingen. Het resultaat: hongersnood en verpaupering.

Het experiment waarvan Er was eens een bos verslag doet, behelst de aanplant van een "nieuw' regenwoud, in brede stroken waar inmiddels na zes jaar gras, kreupelhout, klimplanten en bomen groeien. Dergelijke stroken, waaruit de inwoners ook commercieel te verhandelen hout, brandhout en veevoer halen, worden afgewisseld met stroken waar mais en bonen worden verbouwd. De vrije landbouw is aan banden gelegd. Vee mag niet vrij grazen maar moet in stallen of bij het huis worden gehouden en de mest moet - moeizaam - van die stallen naar het veld worden gebracht.

Het herstel van de door het kappen van het regenwoud aangerichte schade is langzaam, duur en zeer arbeidsintensief. Maar het werkt - of lijkt te werken. En het bewustzijn bij de bewoners van het bergachtige noorden van Tanzania groeit: de bevolking groeit en de landbouwgrond raakt op, als gevolg waarvan men zorgvuldiger omgaat met de bodem. “Het is een wedloop tegen de tijd. De afloop is onbekend.” Maar er is hoop.