Een journalistieke paardenrace

Twee stenen olifanten met trompetterende slurven markeren de ingang van de tempel van de Witte en de Zwarte Godin in het oude Sawai Madhopur, districtshoofdstad in de Indiase deelstaat Radjahstan.

Boven aan de trap staan de monniken al uitnodigend te gebaren, gitzwarte kindertjes schieten uit boogjes en nissen tevoorschijn. De leden van de Kitekat Tijger Expeditie, na vijf dagen oerwoud tuk op een verzetje, lopen enigszins verdwaasd rond. Een boekje Wat en Hoe Hindi in de bagage was nu wel handig geweest, want er worden hele verhalen tegen de vreemde bezoekers afgestoken. Dit moet de olifantengodin Ganeshi zijn en daarnaast een reliëf met zeven duiveltjes, zoveel valt nog net te volgen. In een nis legt een Indiase familie een of andere rituele ochtendgelofte af en nog weer een trappetje hoger strijkt een magere jongen met zijn vinger door de as van wat voor zover we begrijpen een heilige koe moet zijn geweest. Er staan beelden die wel tweeduizend jaar oud kunnen zijn, een stenen fontein, twee grote bronzen klokken waarbij onze gids een indringend verhaal houdt. “Worship Goddess?” probeer ik zo intelligent mogelijk. “Yes! Dance, make music! Worship Goddess!” Hij swingt met zijn tanige armen, zijn gerimpelde kop schiet vuur.

Nog weer een trappetje hoger moeten de schoenen uit en dan kom je in het heiligste der heiligdommen, het altaar van de Witte en de Zwarte Godin. Er wordt een kleverig, goudkleurig klompje uitgereikt en een poging om dat eerbiedig bij de andere brokjes op het altaar te leggen wordt bijna bestraft met een tik op de vingers. Opeten! O griebels, en dat had onze reisleider nu juist ten strengste verboden, op straffe van de vreselijkste buikloop: nooit eten van de straat. Toch maar een hapje proeven dan, onder vele aandachtige ogen. Er wordt instemmend geknikt. Is het misschien toegestaan om dat prachtige uitzicht hiervandaan te fotograferen en mag dat schattige kleine meisje in die blauwe jurk ook niet even op de foto? O ja, dat mag best, dat willen ze allemaal wel en ook dat broodmagere skelet op het matje bij het altaar blikt vriendelijk in de lens.

En dan verder, het dorp in. De weg is onverhard en stoffig als een zandstorm. Borstelige zwarte aardvarkens met van die schattige gestreepte biggetjes liggen genoeglijk te soppen in het open riool, een eindje verderop doet een man gehurkt zijn behoefte. Er zijn hier heerlijke meloenen te koop en je kunt je schoenen laten verzolen uit eersteklas rubber autobanden. Kamelen zeulen hun vrachtjes voorbij, autobussen uit het Britse koloniale tijdperk versperren elkaar toeterend de weg.

Terug naar huis deel ik een paardetaxi met Karel van de Telegraaf, een krakkemikkig houten karretje, maar de koetsier zet er flink de sokken in. In de brandende zon zweept hij het paard op met een eindje touw en we razen over de keien. Als hij onderaan de heuvel een van zijn collega's ziet, met twee van onze collega's van Algemeen Dagblad en de GPD breeduit op het achterbankje, krijgt hij er pas echt schik in. Het paard wordt nu geslagen met een speciaal bamboestokje boven zijn staart, waar het dampende zwarte vel gespleten is en een breed roze litteken gaapt. Hola, roepen we boos, dat was nou ook weer niet de bedoeling, maar we scheuren de AD-GPD equipe voorbij en liggen weer op kop. Dat arme paard, het snuift en steunt. Aan het begin van het hobbelige zandpad naar onze Forest Lodge laten we ons afzetten. Dat laatste stukje kunnen we heus wel lopen. Vanuit de lodge hoor je de apen krijsen in het bos en volgens Karel zitten hier beeldschone fluweelrode hagedissen. “Nice walk”, roepen we vrolijk tegen de koetsier die ons aankijkt of we gek zijn, “beautiful weather!” Hoofdschuddend brengt hij ons zestig roepie, oftewel vier gulden twintig in rekening, tweemaal het normale tarief, en aan wisselgeld doet hij ook al niet.

We springen over een droge greppel en struinen door het kale bos. Karel inspecteert de stammen stuk voor stuk op hagedissen. Hoog boven onze hoofden rijst het steile rotsmassief. Daar wonen de laatste wilde tijgers.

Het is hier anders wel heet. En bladstil. De zon brandt loodrecht omlaag, alle apen houden siesta. En met de hagedissen is het al net als met die tijgers hierboven: ze zijn er wel, maar je ziet ze niet. Moesten we nou rechts of links? Ik voel drie grote blaren. Karels veldfles is leeg, het schuim staat hem op de lippen.

Eindelijk schemert daar als een fata morgana onze rode bakstenen Forest Lodge tussen de bomen. De laatste vijftig meter zijn moordend, steil omhoog in de gloeiende zon. Ik sleep me van stekeltak naar stekeltak, op blaren als kievitseieren, happend naar adem.

In de hal van het hotel is het koel en donker. Op een bankje bij de ingang zit een van die onverstoorbare Indiërs, in een spierwit gestreken bloesje, zijn grauwe broek perfect in de plooi. Hij ziet de westerlingen binnenkomen, dampend en snuivend, met trillende knieën, en zijn mond zakt langzaam open. Oi-oi, zegt hij maar steeds hoofdschuddend, oi-oi-oi. Hij gniffelt het uit. Hij proest in zijn zakdoek. Boven zitten de collega's frisgedoucht aan het koude bier.