De Wildenborch

In schril contrast met het zakelijk commentaar van Kees Caljé in "Te Voet' (NRC Handelsblad, 14 juli), staat de lyriek waarmee F.W. van Eeden in 1886 in de bundel "Onkruid', het bos bij de Wildenborch bejubelde:

“Tusschen rozen en kamperfoelie door drong ik daar binnen en verlustigde mij in een droom van het verleden...” ... “gelukkig dat men bij den Wildenborch een stukje wilde natuur heeft overgelaten voor hem, die belang stelt te weten, hoe ons land er vroeger heeft uitgezien, en hoe de Natuur hare parken aanlegt.”

Het legendarische bos ging in 1905 voor de bijl, helaas, maar sedertdien is het weer aan de natuur teruggegeven. Gespeend van natuurhistorisch besef merkt Caljé op: “Het park aan de voorkant ziet er piekfijn uit. (...) Maar met het bos aan de achterkant is het een stuk slechter gesteld. Uit het oog, uit het hart. (...) Of is het geld op?”

Het fatale samengaan van het oerhollandse Netheidssyndroom en Produktiedwang heeft veel kaal kunstbos voortgebracht. Weinig natuurgezind is de benadering van de liefst tachtigduizend hectare bos die abusievelijk aan de hoede van het ministerie van landbouw (dienst Staatsbosbeheer) is toevertrouwd. Terwille van een alsmaar verliesgevende (en magere) houtproduktie laat Landbouw geen spaan heel van spontane natuurontwikkeling, en zitten de natuurliefhebbers opgescheept met een verticaal recreantengroen waar de acht oorspronkelijke inheemse spechtensoorten ook geen raad mee weten, en wegblijven.

Caljé wilde een schoongeboend stoepje, uitgerekend in dit, vrij drassige, bos dat weer op weg is naar een bos in optima forma: natuurbos, dus grillig, als terloops, soortenrijk, ouder en ouder, onderhand weer een kroongetuige van natuurlijke schoonheid.