Zo was het

Dat was toen wel iets: die Olympische Spelen in 1928. De Olympische Spelen in Nederland. In Amsterdam. Daar hadden ze er toen maar meteen een heel stadion tegenaan geworpen. Bij het toenmalige eindpunt van lijn 16 en het kleine station, dat het Aalsmeerstation heette.

Mijn ouders deden praktisch niets aan sport. Trouwens, wij hadden op school gymnastiek, dus geen gezeur. Nu zeurden wij daar ook niet over, wij hadden wel andere onderwerpen. Wij zeurden dus, bijvoorbeeld, over onze lange kousen die wij, als het lente werd, wilden vervangen door halve. Want je droeg kousen. Lange broeken hoorden bij pyjama's en die droeg je in bed. Mijn moeder vond het dan veelal nog te koud voor halve kousen en dan zaten wij 's morgens op de trap te zaniken, want er was natuurlijk altijd een kind in de klas met vroege halve kousen en lila kippevelbenen. Goed voor een blaasontsteking, oordeelde mijn moeder en wij dan maar weer triest naar school in het heel.

Nee, sport was bij ons thuis een vrijwel genegeerde sector van het dagelijks leven. Alleen wandelen. Wandelen, riep mijn vader met grote regelmaat, wandelen is gezond. Er waren dan ook meerdere boekjes van de ANWB, waar de wandelingen bij kilometers tegelijk in stonden.

Maar toen werd het 1928. Wij woonden, zoals elke zomer in Zandvoort. En in het Grand Hotel, op de boulevard, logeerde het Duitse voetbalelftal. Het Duitse voetbalelftal was, zoals elk voetbalelftal, opgebouwd uit amateurs. Er bestonden in die jaren geen professionals. Het Duitse voetbalelftal trapte 's morgens op het strand een balletje. Daar had je Kalb, de doelverdediger. Een enorme man. Veel eerder een Ox dan een Kalb. Hij had een zwarte zeilpet op, van het soort dat tientallen jaren later ook gedragen werd door Helmuth Schmidt. Duitsers hebben altijd een bizar soort voorkeur gehad voor een goede hoofdbedekking op het verkeerde ogenblik. En daar had je Hofmann. Hofmann met twee ennen en een van huis uit verkregen coup de soleil. Natuurlijk werd ik ogenblikkelijk verliefd op Hofmann. Op mijnheer Hofmann. Stel je voor dat je, als pril tienertje, tegen een voetbal mocht trappen met mijnheer Hofmann, die straks in het Olympisch Stadion zou gaan optreden, voor zover bekend tegen Uruguay, waar dat dan ook liggen mocht. Dat was me nogal wat. Zelfs mijn vader zag in dat het hier niet om een kleinigheid ging en hij schafte zich dan ook drie plaatsen aan voor hemzelf en zijn beide kinderen. Op de eretribune. Als mijn vader dan toch iets deed, deed hij het terdege. De eretribune van 1928 had niets uitstaande met de eretribune van nu. Het was een soort fauteuil de balcon, waarvandaan je het totale voetbalveld kon overzien. Dit was zeer aangenaam, want thuis naar de televisie kijken kon niet, want die bestond niet.

Toen de wedstrijd zou beginnen werden eerst de volksliederen gespeeld. Niemand dacht daar in 1928 iets speciaals bij. Het waren gewoon volksliederen en je diende op te staan, dat wel. Maar bepaalde emoties speelden geen rol: het was tenslotte niet ons eigen Wilhelmus, waar een van mijn grootmoeders zonder mankeren tranen bij vergoot.

Daarna begon de wedstrijd. Die uit Uruguay renden klein en gespierd het veld op en, na een minuut of twintig, vloog een donkere man, ene Andrade, tegen Hofmann op. Mijnheer Hofmann viel. Dit was verschrikkelijk. Het was voor mij niet om aan te zien. Daar lag mijnheer Hofmann op het gras, waarschijnlijk met de vreselijkste pijnen. Zo vreselijk dat hij er misschien wel aan sterven zou. En ik kon er niet heen. Ik kon niets doen, alleen maar verbijsterd toezien vanaf mijn plaats op de eretribune. Dus begon ik te snikken. Er zijn gebeurtenissen die een mens en zeker een heel jong mens, niet met droge ogen kan aanzien. Mijn vader keerde zijn gezicht van het veld af en keek naar mij. Daarna wendde hij zich naar mijn broertje, die ook al aardig wit zag om zijn neus.

Mijn vader stond op. Hij nam zijn wandelstok, die hij tussen zijn knieën had gezet in de hand en sprak: “Gaan jullie direct mee. Daar heb ik geen tien gulden per plaats voor betaald.”

Diepbedroefd, maar gehoorzaam sjokten wij, achter vader aan de tribune af. Het was voor mij het einde van mijnheer Hofmann, met twee ennen.

Buiten op het Stadionplein nam mijn vader het boekje van de ANWB uit zijn zak. “Zo”, zei mijn vader, “en nu gaan wij wandelen. Dat is tenminste gezond.”