"We moeten weg, gewoon omdat ze ons haten'; "De grote massa is in haat tegen de joden opgevoed'; "In dit land word je hoogstens geaccepteerd'

DAMASCUS, 18 JULI. Zoals de zaken er nu voorstaan zijn binnen een jaar alle joden voorgoed uit Syrië vertrokken. Dat zeggen diverse Syrische joden. Maar Ibrahim Hamra, hun opperrabbijn, denkt van niet; hij gelooft dat de meeste Syrische joden alleen een tijdje op reis gaan om vervolgens weer naar Syrië terug te keren.

“Nu de deuren na zo'n lange tijd opengaan, hebben bijna allen familie in het buitenland die zij willen opzoeken. Onze families zijn immers verscheurd. Of zij proberen elders hun kansen. Hebzucht ligt nu eenmaal in de natuur van de mensen en velen denken dat er in de VS gouden bergen op hen wachten. Maar iedereen kan te allen tijde terug en ik ben ervan overtuigd dat velen van hen ook zullen terugkeren. Vroeger mochten de mensen maar duizend dollar per persoon meenemen, nu tweeduizend dollar. Misschien wordt dat in de toekomst nog meer. Wij, joden, hebben een spreekwoord: "Van licht tot licht'. Hopelijk worden deze lichten onder leiding van president Hafez al-Assad steeds helderder.”

De opperrabbijn formuleert zijn rooskleurige verwachtingen in aanwezigheid van een ambtenaar van het Syrische ministerie van informatie. Misschien dat hij er daarom de voorkeur aan geeft het gesprek in het Arabisch te voeren, hoewel hij vloeiend Frans spreekt. Zijn gemeenteleden knikken begrijpend en lachen om zijn uitspraak. Volgens Eli heeft de chacham (zoals de opperrabbijn hier genoemd wordt) ook voor zijn vrouw en kinderen al uitreisvisa geregeld. “Natuurlijk zegt hij dat velen niet definitief weggaan. Wat kan hij anders zeggen?”

Toch is het waar dat niet iedereen zo graag weg wil. Maar naarmate er meer joden verdwijnen, hebben de achtergeblevenen minder mogelijkheden om de toch al minieme joodse gemeenschap sociaal en religieus te laten voortbestaan. Zij belanden in een steeds groter isolement, waardoor ook zij gedwongen worden elders hun heil te zoeken.

Daarom heeft Avraham de beslissing al genomen. Binnen een half jaar wil hij zijn zaken hebben afgewikkeld en naar Amerika vertrekken. “Het kan niet op stel en sprong, want wij mogen maar tweeduizend dollar per persoon meenemen. Ik moet mijn spullen verkopen en op de een of andere manier ervoor zorgen dat het geld in het buitenland belandt. Dat is niet zo gemakkelijk, maar ook weer minder moeilijk dan men denkt. Er zijn hier genoeg zeer invloedrijke mensen die snel en gemakkelijk geld willen verdienen en dus bereid zijn te helpen. Voor hen zijn er wegen open die voor gewone mensen gesloten zijn.”

Ook Selim bereidt zijn vertrek voor. “U wilt weten waarom we uiteindelijk allemaal weggaan, terwijl het ons over het algemeen niet slecht gaat? Omdat we hier een gezegde hebben: "Vandaag is het beter dan morgen, en morgen is het beter dan de dag daarna'. Daarom dus. Dit is niet ons land, maar een land waar je - als alles heel goed gaat - hoogstens geaccepteerd wordt. Dit is een land waar je goed zaken kunt doen - niet waar je thuis bent en je op je gemak voelt.”

“Ik ken een man van 60 jaar met twee bijna volwassen zoons die nog niets kunnen. Ik vroeg hem onlangs: "Vind je niet dat je gek bent om te emigreren? Hoe denk je elders je brood te kunnen verdienen?' Hij antwoordde: "Moet ik de fout herhalen van mijn vader, die in 1948 niet de kans greep om weg te gaan? Mogelijk zullen we het ginds heel moeilijk krijgen. Maar het is beter dàt risico te nemen dan hier af te wachten of men ons in de toekomst misschien nog zal dulden.' Die man beseft heel goed de enorme problemen, waarvoor hij komt te staan. Maar hij en vele anderen zeggen: "We moeten nú gaan, nu we dat nog met opgeheven hoofd kunnen doen.' ”

De 30-jarige Selim fluistert. Hij kijkt voortdurend nu eens over zijn ene, dan weer over zijn andere schouder of iemand kan meeluisteren. Die gedempte, angstige houding is in Syrië niet alleen voor joden typerend; het is voor bijna iedereen een tweede natuur geworden. De mensen die het wagen kritiek te spuien - sunnieten, christenen, ja zelfs alawieten die toch uiteindelijk de macht in handen hebben - letten er scherp op dat hun woorden niet door derden kunnen worden gehoord. Dat is, zo leert de ervaring, beter voor ieders gezondheid.

Ook Youssouf geeft toe dat het niet gemakkelijk is om voorgoed weg te gaan. “Velen van ons willen eerst in het buitenland verkennen hoe daar de mogelijkheden zijn om aan de kost te komen. Niemand weet het. Want wat we in het buitenland moeten doen, is volstrekt onduidelijk. We kunnen daar niet hetzelfde verhandelen als hier, omdat het koperwerk en de juwelen die we hier maken en omzetten alleen hier in trek zijn bij de toeristen. In het Westen bedenken de mensen zich tweemaal voordat ze oriëntaalse spullen kopen, maar als ze hier komen, maken ze er jacht op. Bovendien is het leven hier heel gemakkelijk. De huren van onze winkels zijn belachelijk laag en inkomstenbelasting hoef je in dit land nauwelijks te betalen. Dat is allemaal in het Westen veel moeilijker.”

“Maar uiteindelijk vertrekt iedereen. Hier hebben we geen toekomst. Wat gebeurt er als deze president dood gaat? Dan maakt de volgende ons waarschijnlijk af. Want er is veel afgunst. Joden hebben de neiging grotere en duurdere trouwpartijen te geven en dus zegt iedereen dat ze onnoemelijk rijk zijn. Zoals het blad Tishreen een tijd geleden schreef over één van de zogenaamd-spontane demonstraties die wij eind vorig jaar op bevel van de overheid ten gunste van de president moesten houden: "Ook de joden demonstreerden in hun super-de-luxe auto's'. Die generalisatie is natuurlijk onzin. Er zijn in onze gemeenschap mensen die zeer gegoed zijn en mensen die heel weinig hebben. De laatsten krijgen financiële bijstand van de anderen - maar zó dat geen buitenstaander het merkt.”

Ibrahim vult aan: “De moslims haten ons - niet zozeer de intellectuelen. Mijn nicht bij voorbeeld heeft op de middelbare school geen last gehad van anti-joodse opmerkingen. Er zijn zelfs intellectuelen die tegen ons zeggen: "Natuurlijk moeten jullie, joden, ook een eigen land hebben.' Ja, dat komt ook voor. Maar bij de grote massa ligt het anders. Die is in haat tegen de joden opgevoed. Vaak hoor ik op straat, als twee mensen ruzie met elkaar hebben, dat de verliezer tegen de ander zegt: "Hou op, ik ben toch geen jood!' En elke keer, als ik dat hoor, denk ik: "Ik moet weg.' U wilt weten of de houding van de bevolking tegenover ons sinds het begin van de vredesonderhandelingen met Israel is veranderd? Absoluut niet! Zelfs als er vrede komt, moeten we weg - gewoon omdat zij ons haten. Vrede komt er in het Midden-Oosten, dat staat vast. Maar het wordt een vrede tussen regeringen, niet tussen volkeren. Daarom moeten wij hier weg.”

Als de joden vertrekken, laten zij 26 synagoges achter - waarvan 22 in Damascus, en in Aleppo één van de oudste synagoges ter wereld, ongeveer tweeduizend jaar oud. Bovendien hebben zij twee scholen in Damascus en een school in Aleppo, alsmede een ziekenhuis waar leden van de joodse gemeenteschap gratis behandeld worden.

“Wij leveren zeer goede studenten af”, zegt de opperrabbijn vol trots. “Soms krijgen wij prijzende brieven binnen van het ministerie van onderwijs. Wij hebben ook, in verhouding tot onze zeer kleine gemeenschap, het grootste aantal artsen in Syrië: 35. Daarnaast hebben wij 25 apothekers, tien tandartsen, tien ingenieurs en maar twee advocaten. Dat laatste aantal is voldoende omdat wij zo weinig problemen in onze gemeenschap hebben.”

Bij die opmerking moet ook de ambtenaar van het ministerie van voorlichting hartelijk lachen. “De rabbijn heeft een typisch joodse humor”, zegt hij.

Op de joodse scholen wordt precies hetzelfde leerprogramma gevolgd als op de andere scholen in Syrië. Bijna alle onderwijzers zijn trouwens moslims. De regering heeft wèl toestemming gegeven om op de joodse scholen aanvullend onderwijs te geven in Frans en Engels, en - voor godsdienstige doelen - in oud-Hebreeuws. Krijgen de kinderen ook joodse geschiedenis? “Zij krijgen, zoals iedereen in Syrië, geschiedenis”, luidt het antwoord van de opperrabbijn. Leren zij bij voorbeeld iets over hetgeen het joodse volk in de jaren '40 in Europa is overkomen ten tijde van het nationaal-socialisme? Antwoord: “Al deze zaken worden behandeld in de officiële boeken. Die gaan niet alleen over oorlogen, maar ook over vrede.” Later vertelt Selim dat joodse geschiedenis natuurlijk verboden is; dat is "zionistische geschiedenis'.

De opperrabbijn blijkt ondanks zijn nog jeugdige leeftijd - hij is ongeveer 40 jaar - grote diplomatieke gaven te hebben. Uiterst nauwgezet weegt hij zijn woorden, die één en al lofprijzing zijn: over Syrië in het algemeen, over president Assad in het bijzonder en over de meer dan voortreffelijke relaties met de hele Syrische bevolking. “De patiënten van onze artsen zijn voor 90 procent niet-joden. Zo gaat het ook met de zakenlui. Wij leven met de anderen als broeders. Wij hebben vertrouwen in elkaar en in de moslims. En wij werken nauw met elkaar samen, op basis van dat goede vertrouwen.”

Op de vraag wat de vertrekkende joden met hun bezittingen moeten doen, die zij officieel niet mogen meenemen omdat per gezinslid alleen de uitvoer van tweeduizend dollar is toegestaan, antwoordt de opperrabbijn: “Over de verkoop van eigendommen hebben wij met de president gesproken. Vroeger moesten we de koop en verkoop van onze eigendommen afstemmen met de autoriteiten (lees: de veiligheidsdiensten) en daarvoor toestemming vragen. Nu zijn we daarin volledig vrij. Maar er blijft natuurlijk die ene zaak: je kunt je huis, ter waarde van op zijn minst 40.000 dollar, niet meenenemen. Dus wachten de mensen de ontwikkelingen af. Ze verkopen hun huis niet, maar ze sluiten het af.”

Hij vervolgt even later: “Onze godsdienst verlangt van ons dat wij onze schulden vereffenen. Als mijn gemeenteleden mij echter de vraag stellen wat zij bij vertrek met de rest hun bezittingen moeten doen, zeg ik hun dat zij dat maar direct aan God moeten vragen.” Eén van de leiders van de joodse gemeenschap, die zwijgend bij het gesprek aanwezig is, laat zich iets duidelijker uit. Spottend wuift hij met zijn hand om aan te geven dat die achtergebleven joodse eigendommen in lucht zullen vervliegen.

Als ik de opperrabbijn vraag, of hij - wanneer alle joden Syrië verlaten hebben - alleen nog maar de opperrabbijn van zijn eigen gezin zal zijn en als laatste jood het licht in de joodse instellingen zal uitdoen, zegt hij: “Ik geloof niet dat het zo zal lopen. Misschien komen zelfs velen terug. Vergeet niet: overal ter wereld zijn er vredesbesprekingen. Overal wil men vrede.”

Het is even stil in de lichtblauw en -groen geschilderde synagoge, waar wij op lage gestoffeerde banken de koffie gebruiken - waar het niet-uitgesprokene, zoals past in de joodse traditie, zwaarder dan alle woorden weegt.

Dan beëindigt de opperrabbijn het gesprek: “In deze heilige plaats waar wij bijeen zijn, in de Koning David-synagoge, hoop ik dat wij onze liefde en ons respect aan president Hafez al-Assad kunnen blijven betuigen en hem een goede gezondheid en een lang leven kunnen toewensen.” Tweede en laatste deel van een serie over de joden in Syrië waarvan het eerste op 14 juli verscheen. De namen van de in dit artikel geciteerde joden zijn, met uitzondering van de opperrabbijn, gefingeerd.