Vooruit

Net als mensen reizen dieren. Soms heet het de trek, soms foerageren, soms hebben ze geen idee. Sommige walvissen eten voornamelijk in de Noordelijke IJszee, maar brengen hun kouwelijke baby's in subtropische wateren ter wereld. Het is een va et vient in dierenland, waarbij de gierzwaluw, die in de klokkentorens van Oxford nestelt, wel een zeer reislustige toon zet: als de kuikentjes vliegrijp zijn duwen de ouders ze allemaal tegelijk uit het nest de galmgaten in, die, zoals we weten, benedenwaarts wijzen, en dan, als op een glijbaan naar het oneindige, moeten ze vliegen.

Naar Parijs.

Jawel, op hun eerste fladderdag reizen ze naar Parijs. Alsof u, met uw pas verworven rijbewijs, meteen naar Istanbul vertrekt (ik relateer het maar even aan lichaamslengte en kom daar straks op terug). In Parijs gaan ze niet amechtig even zitten, ze blijven daar op een kilometer hoogte cirkelen. Tijdens dat cirkelen slapen ze. Dat moet zo hoog omdat ze dan tegen niemand anders op vliegen.

De volgende dag gaan ze door richting Madrid, enzovoort, enzovoort, naar de kust van Afrika, en ze komen al die tijd, zeg maar twee jaar, niet meer op de grond. Zij hebben ook de meest onontwikkelde poten van alle vogels. Eten, drinken, slapen, alles geschiedt in de lucht.

Er zijn vogels die grotere afstanden afleggen, maar die rusten af en toe even uit op de begane grond, een schip of op het water.

De Monarchvlinders vliegen allemaal jaarlijks zuidwaarts, richting Zitácuaro, in Mexico - alleen ze halen het nooit als zij uit Canada vertrekken. Onderweg leggen zij eieren (ze gaan zelfs dood), daar komen rupsen uit, dat worden poppen, en daaruit komen weer jonge vlindertjes die een volgend stukje van de weg afleggen. De hele tocht duurt zo drie tot vier generaties. Het richtingsgevoel en de reislust zit in de genen. Niemand kan afkijken.

U kunt over ver-trekkende dieren lezen in Animal Navigation, van Talbot H. Waterman, Scientific American Library, en nu we het er toch over hebben, ik herinner me gelezen te hebben dat in de Eerste Wereldoorlog een of twee postduiven waren die berichten van het front brachten en die zo uitgeput waren, of aangeschoten of anderszins, dat zij lopend het laatste deel van de tocht aflegden. Ik bedoel nu niet de duif Mary of Exeter die de Dickins Medaille kreeg uit handen van Sir James Ross van het Airministery in 1945, die de gehele Tweede Wereldoorlog vloog en in de line of duty 22 hechtingen opliep, zwaargewond werd door een door de Duitsers opgeleide havik, een deel van haar vleugel kwijt raakte door vijandelijk vuur, drie kogels in haar lijfje opving, twee keer ontsnapte uit haar hok tijdens bombardementen terwijl alle andere duiven gedood werden en op een van haar tochten meer dood dan levend in een veldje werd aangetroffen. Die bedoel ik niet.

Als iemand van een lopende postduif weet - en dit kan staven - gaarne bericht in ruil voor een van de flessen twintig jaar oude Port die ik er op heb staan. Let wel: geen Vintage Port 1972, nee Twenty Years Old. Omdat ik mijn weddenschappen meestal verlies zou u me enorm helpen.

Nu even over lichaamslengte.

Mevrouw Carol Keasuk Yoon vertelt ons in de New York Times dat er in de Sahara, en wel in dat gedeelte waar het echt vlak is, een mier leeft die foerageert op het heetst van de dag, rond het middaguur, het uur dat slechts mad dogs en Engelsen gebruiken om te wandelen. Het is daar dan 60 graden, nergens schaduw en niets te zien behalve een trillende lucht. Elk dier zakt dan in zwijm van de hitte, zelfs de grote mierenvijand, de woestijnhagedis, die nu ook in zijn holletje moet blijven. De zilverachtige mieren, zilverachtig natuurlijk om de zonnestralen te weerkaatsen, hebben voor een mier nogal lange poten, want hoe verder ze van de grond af zijn, hoe beter. Hoog op de beentjes scheelt ze dat meteen ruim twintig graden, weg van de hoge bodemtemperatuur. Zij moeten op hun speurtocht in allerlei sprietjes klimmen en hun ledematen laten wapperen om af te koelen. Ze wandelen overigens niet, ze rennen. Ze kunnen honderd keer hun lichaamslengte afleggen in één seconde. Men kent geen ander dier dat dat kan. Zij houden tijdens die sprints zelfs even hun adem in, om elk atoompje vochtigheid te bewaren. Hoewel mevrouw Yoon dat niet meldt meen ik dat die hoge snelheid een voorwaarde is om koel te blijven, vanwege de chill factor.

Ze zoeken naar flauw gevallen, stervende of uitgeputte diertjes en slepen ze vervolgens naar hun holletje. Omdat ze een willekeurige kronkelweg volgen, lijkt de kans dat ze de weg kwijt raken groot. Dit is niet het geval. Integendeel. Zodra ze een prooi hebben, keren ze in een rechte lijn terug, die niets van doen heeft met hun vorige omzwervingen. Een dr. Wehner uit Zwitserland heeft die tochten, soms langer dan 600 meter, gevolgd en zegt nu de mieren te zien als kleine computers die door de woestijn rennen. Hij heeft de mogelijkheden van het mierenoog, het brein en de mogelijkheden tot navigeren onderzocht. De mieren navigeren door middel van in stroken gepolariseerd licht in de lucht boven de Sahara. Zijn studenten maakten met verf een enorm ruitjesblok van een stuk woestijn en volgden de mier met iets dat er uit zag als een grasmaaimachine met grote wielen waarop camera's schuin de route volgden. Dr. Timothy Goldsmith van Yale noemt de studie over de zilvermier, de Cataglyphis ""een buitengewoon elegante analyse''.