Topsporter kun je alleen 100 procent zijn

In Nederland staat Erik de Bruin al elf jaar aan de top. Maar de 29-jarige atleet uit Hardinxveld-Giessendam - 1,84 meter lang en 93 kilo zwaar - heeft zijn leven niet in dienst van de discus gesteld om Nederlands kampioen te worden. Hij neemt alleen genoegen met de wereldtop. Over onbegrip, halfhartigheid en onvoorwaardelijke keuzes.

Als het in Barcelona warm is, dan is dat in zijn voordeel. Want hij gooit altijd goed als het warm is. En als het regent, is dat ook in zijn voordeel. Want hij komt uit een regenland.

Eigenlijk werkt altijd alles in zijn voordeel. Hij legt alles in zijn voordeel uit. Maar of dat ook helpt tegen de ziekte van Pfeiffer die hem alweer weken ondermijnt?

Tegenslag en onbegrip en tegenwerking, ze kunnen hem niet deren. Ze kunnen hem alleen maar stimuleren. Ze wekken zijn woede en die zet hij om in nog weer betere worpen. “Ik heb vaak het idee dat de hele wereld tegen me is. En dan wil ik laten zien dat ik me er niet onder laat krijgen.”

Voor Erik de Bruin geldt hetzelfde als voor zijn discus: hij komt het verst bij tegenwind.

Tegenwind heeft hij genoeg gekend in zijn loopbaan. In de vorm van blessures bijvoorbeeld. Voor de Olympische Spelen van vier jaar geleden liep hij door overbelasting een zware rugblessure op en het was een wonder dat hij zich in Seoul toch nog als negende klasseerde, dezelfde plaats die hij in 1984 in Los Angeles behaalde. In 1990 moest hij aan zijn linkerknie worden geopereeerd, een jaar later scheurde hij een buikspier. Dat topsport gezond is, zal Erik de Bruin nooit verkondigen.

Hoever je kunt gaan weet je nooit

En ook nu weer zo vlak voor de Spelen heeft hij last van een blessure. Dezelfde knie, dezelfde overbelasting. Alleen een andere plaats. Hoever je kunt gaan met een knie die al een paar keer is behandeld, die na elke training en elke wedstrijd met ijs gekoeld moet worden? “Dat weet je nooit. Je kunt het alleen proberen aan te voelen. Als je denkt dat het fout gaat, neem je even rust.”

Dat doe je ook als je zes weken voor de Spelen opeens de ziekte van Pfeiffer met je mee blijkt te dragen. Noodgedwongen. Tandenknarsend. Rusten. Als hij ergens toch de pest aan heeft.

Maar nooit heeft hij gewanhoopt na een blessure. Nooit heeft hij zich afgevraagd of het wel allemaal de moeite waard is. Hij reageert verbaasd op die suggestie. “Blessures geven juist enorm veel motivatie. De dag na mijn operatie lag ik alweer in het krachthonk. De krukken links en rechts naast mijn bankje. De halter op mijn borst. De eerste serie opdrukken ging nog lekker. Maar bij de tweede serie lag ik kotsend onder die halter. De narcose was nog niet helemaal uitgewerkt.”

“Mijn instelling na een blessure: ik zal ze eens laten zien hoe snel ik terugkom. Ze krijgen mij er niet onder. Al had ik een houten poot, dan nog kwam ik terug.”

Na zijn knie-operatie eindigde hij twee jaar geleden als tweede bij de Europese kampioenschappen in Split. Na zijn spierscheuring won hij vorig jaar in Tokio het zilver bij het WK. De enige Nederlandse medailles. Triomfen van de wil.

Maar inmiddels weet hij ook wel dat hij zijn lijf niet straffeloos kan blijven dwingen. Dat heeft hij gemerkt in de voorbereiding voor Seoul toen hij zijn rug forceerde. De prijs die hij betaalde voor zijn instelling van maar doorgaan, vooral niet zeuren. Tegenwoordig heeft hij meer clementie met zijn lichaam. “Maar het blijft moeilijk. Ook niet echt prettig.” Het zinnetje dat hem over zijn weerzin tegen zoveel toegefelijkheid heeft heengeholpen: “Ook rust is trainen.” Ook rust draagt bij tot het doel.

Tegenstander op z'n donder geven

Het doel is winnen. Zijn tegenstanders op hun donder geven. Wat kan er mooier zijn? Zijn halve leven lang heeft hij daar al alles voor over. Zijn halve leven lang is daaraan ondergeschikt gemaakt.

Erik de Bruin is er inmiddels aan gewend dat die instelling in Nederland afketst op onbegrip. Want: “Nederland is het land van "van alles een beetje'.” Nederland is het land van de halfhartigheid. Ziek wordt hij ervan als ze hem complimenteren met zijn sportieve prestaties en tussen neus en lippen vragen wat hij ernaast doet. Alsof zijn zware trainingsarbeid ook maar enige ruimte laat om er wat bij te doen.

“En hoe vaak doe je dat dan in de week”, imiteert Erik de Bruin een standaard-conversatie. Met afgrijzen: “Iedere dag?” “En dan snappen ze vaak ook niet dat je niet alleen moet werpen en krachttraining moet doen, maar dat je er ook nog bij moet lopen en springen. "Waar is dat nou voor nodig? Je gooit toch alleen maar met zo'n schijfje?' Ze hebben geen idee wat daarvoor nodig is.

“Wat mensen ook vaak vragen: is dat niet vreselijk eenzijdig? Tegen een meisje dat elke dag zes uur viool speelt, zullen ze dat nooit zeggen. Dat is opeens fantastisch. "Hoe houdt ze het vol?' Maar discuswerpen? Als het nou voetbal was of tennis. Daar kun je tenminste nog een hoop geld mee verdienen. "Was je niet liever tennisser geworden?' Ook zo'n typisch vraagje. Dan was ik toch aan het tennissen gegaan.”

Sinds hij de laatste jaren een aantal grote internationale successen heeft geboekt, is die meewarige houding wel veranderd. Zeker sinds hij regelmatig te zien is in het openingsfilmpje van Studio Sport. “Vroeger was ik die gek die op dat veldje met die dingen stond te smijten. Tegenwoordig vinden ze dat ik toch wel wat voorstel. Alsof dat afhankelijk is van de medailles en de aandacht die je krijgt. Wat ze nog altijd niet begrijpen: dat ik het doe omdat ik het leuk vind. Prestaties komen dan vanzelf. Zeker als je het leuk vindt om iets goed te doen.”

Een troost is dat er tenminste een paar mensen zijn die snappen wat hem beweegt. Verspringer Frans Maas en tienkamper Robert de Wit bijvoorbeeld, met wie hij, de eenling bij uitstek, soms gezamenlijk traint. “Dan denk ik: ik ben niet de enige dwaas.”

Hij zou niet met een concurrent kunnen trainen. “Ik zou toch geneigd zijn om hem al op de training geestelijk kapot te maken.” Het liefst traint hij trouwens toch alleen. Hoeft hij met niemand rekening te houden. Hoeft hij zich niet in te tomen. Kan hij zichzelf stijf vloeken als het slecht gaat. Kan hij voor zichzelf applaudisseren bij een goeie worp.

Sinds hij na Seoul met zijn vader als coach heeft gebroken is hij helemaal alleen. “Alleen”, zegt hij. “maar niet eenzaam.” In dat wereldje dat door de baan van zijn discus begrensd wordt en waarin “zijn persoontje” centraal staat, voelt hij zich helemaal thuis. Hij heeft daar zelf voor gekozen, al jaren geleden. Misschien beperkt. Misschien ook egocentrisch. “Maar kun je aan topsport doen zonder egocentrisch te zijn?”

Nooit concessies

Dat hij in de sport zover is gekomen, komt doordat sport voor hem altijd nummer één is geweest. Dat was al op de middelbare school zo. “Ik vond het allang goed als ik een 6 of 7 haalde. Terwijl ik in de sport altijd het hoogste wil bereiken. In de sport ben ik met een 6 of een 7 nooit tevreden geweest.”

Hij heeft zijn onvoorwaardelijke keuze voor het discuswerpen nooit in twijfel getrokken. Nooit concessies gedaan. Wel heeft hij zijn atheneum voltooid en in de avonduren na de training zijn MO geschiedenis gehaald. Maar dat was toch nooit anders dan bijzaak. “Wat dat betreft loop ik met oogkleppen op.”

“Als je iets wilt bereiken als sporter, en dat kun je maar zo weinig jaren, dan is 80 procent niet voldoende. Of negentig procent. Topsporter kun je alleen voor honderd procent zijn. Zodat je achteraf niet hoeft te zeggen: als ik maar iets harder getraind had. Je kunt het nooit meer overdoen.”

Hij heeft niet zo'n hoge pet op van veel collega-sporters. Mensen die het erbij doen, die er niet alles voor overhebben. Voor wie sport nog iets vrijblijvends is. Hij noemt ze smalend “recreanten” en trekt daarbij een vies gezicht.

"Recreanten' zijn ook de reden dat de Olympische Spelen voor hem niet zo nodig hoeven. Hij gaat liever naar een WK, waar ze met topsporters onder elkaar zijn. Waar sporters komen om te winnen en niet voor de gezelligheid.

“Ik heb het meegemaakt met de heren hockeyers die zich klem zopen een dag voor de wedstrijd en dan lallend door het olympisch dorp trokken. Net vakantiegangers. Dat hoeft van mij niet meer.”

“En dan die hypocriete verhalen over verbroedering en sportfeest, die alleen maar dienen om de Spelen te verkopen. Die gelden misschien voor die ene kunstzwemmer uit Malawi. Voor de meesten zijn de Spelen een strijd op leven en dood.”

Als het aan hem lag, kwam hij in Barcelona niet voor Nederland uit maar “voor Erik de Bruin”, want die heeft toch alles in zijn eentje moeten klaren. Met de olympische ploeg van Oranje heeft hij niets gemeen. “En dat gezeur met die volksliederen moeten ze ook maar eens afschaffen. Dat wij-gevoel, dat nationalisme dat zo nodig versterkt moet worden, houdt dat dan nooit eens op?”