Schrede voorwaarts

Was het vorige week? In ieder geval, er was weer een ruimteveer veilig op aarde teruggekeerd.

Het zal wel overal op de televisie zijn geweest, twintig seconden waarin je dat dikke vliegtuig zag landen, rookwolkjes uit de banden en dat was dat. Het station dat ik mijn klandizie had gegund, nam er niet eens de tijd voor, de ruimtevaarders te laten uitstappen. Hoe lang is het geleden dat zo'n ruimteveer werd bestormd door doktoren met geigertellers, zelfs de naaste familie op een afstand gehouden, de astronauten een week in quarantaine en daarna een carrière waar dan ook verzekerd?

Er is één generatie, waartoe ik niet hoor, die als het weer eens tot een reünie komt, elkaar de ruimtevaartvraag stelt: "Waar was jij toen Neil Armstrong zijn eerste stap op de Maan zette?' En dan: "Wat zei hij toen?' Op deze laatste vraag is maar één antwoord mogelijk: "Dit is maar een kleine stap voor mij maar voor de mensheid een grote schrede voorwaarts.' Ik geloof dat het niet helemaal goed is maar de essentie staat er. Het kan nog veranderen maar op het ogenblik daagt het besef dat dit een grote vergissing is.

Ik zal de laatste zijn om te bestrijden dat de onbemande aardsatelliet veel voordelen heeft en afgezien daarvan, "niet meer valt weg te denken'. Zonder satelliet zouden we niet weten waar het weer vandaan komt, had Saddam Hussein in het geheim zijn legers bij Koeweit kunnen concentreren, hadden we niet geweten waar de atoombomfabrieken worden gebouwd en zou dit stukje nog via een onderzeese kabel naar de krant zijn geseind. De satelliet heeft ons niet in staat gesteld een bepaalde categorie voorspellingen feilloos te maken, de weerman en de CIA blijven zich vergissen en als ik bijvoorbeeld het woord aardsatelliet heb getikt, komt dat misschien aan als #$%?<+/0-&! Maar het zou gemakkelijk zijn en vooral van die irritante boerenslimheid getuigen als ik uit zulke kleine tekortkomingen de onwaarde van de ruimtevaart afleidde. Ik hoop dat we vlug meer te weten zullen komen van de toestanden op Mars en Venus.

Toch is een stap van een astronaut op de Maan geen schrede voorwaarts voor de hele mensheid. Dat is een spreuk uit de bijbel van bijgeloof die in de Koude Oorlog steeds dikker is geworden en die we nu, zonder er een seconde over na te denken bij het oud papier hebben gezet. Toen in 1957 de Russen hun Spoetnik lanceerden hebben ik weet niet hoeveel serieuze mensen daarin het eerste betrouwbare teken gezien van de ondergang van het Westen. De Spoetnik heeft bibliotheken vol fabeltjes veroorzaakt. Ik zou graag een boek willen lezen waarin een poging wordt gedaan de fabeltjes te scheiden van het werkelijk nut - als je het al zou kunnen omschrijven - dat de ruimtevaart heeft gehad. Muizen en apen in de ruimte, nog meer gewichtloze knaagdieren en kikvorsen, drie Russen die ik weet niet hoeveel maanden om de Aarde hebben gecirkeld. Al zou je alleen maar weten wat ze al die tijd tegen elkaar hebben gezegd in hun gewichtloze Huis clos, dan was hun ballingschap misschien niet vergeefs geweest. Maar dat is het eigenaardige: op den duur hebben we aangenomen dat we hier met een noodzaak te maken hadden, hoe moeilijk die ook te begrijpen was.

De ruimtevaart houdt de mensen van de straat. Daarvoor hoefde je nog geen raketten af te schieten. Het was voldoende H.G. Wells' Oorlog der planeten tot filmscenario om te schrijven. Intussen is het hele Wilde Westen in de sferen der gewichtloosheid verplaatst. Ze doen daar nog altijd hetzelfde; ze hebben alleen andere kleren aan en ze schieten op elkaar met moderner gereedschap maar met ouderwets resultaat. Ik kan het niet helpen dat ik het, na de grote schrede voorwaarts, allemaal wat ontmoedigend vind.

Het is wel te begrijpen. Nadat de Everest voor het eerst was beklommen werd de klimmers, Hillary, Hunt en Tensing, gevraagd waarom ze het hadden gedaan. Omdat die berg daar nu eenmaal stond. Waarom wil men de ruimte in? Omdat de ruimte er is. Zelfs al zouden we er na honderd generaties nog niet achter zijn wat er in het Zwarte Gat zit, blijft het van belang er met steeds betere middelen in te kijken. Wie weet!

Wie weet wat? Het is niet uitgesloten dat zich ergens achter de Zon in een ander stelsel een planeet bevindt met lotgenoten. Het zal de grootste opluchting in de geschiedenis der mensheid zijn als we ontdekken dat we niet alleen op de wereld zijn. Als de aarde is uitgeput, leeg als een uitgezogen druif, afgekoeld als een oud ei en lens als een voetbal na het seizoen, schepen de laatsten van onze nazaten zich in om in het Zwarte Gat hun geluk te beproeven. Noach, Columbus, Houtman en De Keyzer, die hebben per slot van rekening ook grote schreden voorwaarts gedaan.

Dit dacht ik nadat ik op de televisie weer een ruimteveer had zien landen. Zou ik het opschrijven? Ach waarom, dat kan iedereen zelf wel bedenken. Toen zag ik in de winkel van het Museum of Modern Art de ruimtepen waarmee je ook op het plafond kunt schrijven en onder water, wat met een gewone balpunt niet lukt. Geen astronaut gaat zonder de lucht in. Tien jaar of nog langer geleden kostte dit elegante schrijfgerei vijf dollar. Nu vijftien. Dat is in ieder geval nuttige wetenschap.