Schipperaar naast God; Juan Antonio Samaranch

Hij zegt nooit "nee', maar zijn wil is wet. Juan Antonio Samaranch, president van het Internationaal Olympisch Comité. Vraaggesprek met de ongrijpbare spin in het web.

Hij is een koning zonder grond, een industrieel zonder produkt, een paus zonder geloof. Hij is een handelaar in luchtkastelen. Zie hoe zijn bouwsels naar de hemel reiken. En hoor zijn klanten juichen. Is hij een fantast, belust op macht en aanhang? Een illusionist voor wie het hooggestemde doel de valse tover heiligt? Of toch een ziener die de zee doet splijten? Het antwoord kan hij zelf onmogelijk geven. Hij zou maar fantaseren, of onwaarheid spreken. En nooit zou hij liegen. Want zoveel is zeker: zijn woorden, zijn daden, ja zelfs zijn luchtkastelen, ze overtuigen ook, misschien wel in de eerste plaats hemzelf.

Hij staat aan het hoofd van een organisatie met een geschat vermogen van 400 miljoen gulden. Koningen en presidenten vragen hem nederig om audiëntie. Ondernemers overladen hem met giften "voor de Beweging'. Wie wil er niet delen in het aura van de Spelen?

En hij is nu eenmaal de sleuteldrager van de Spelen, eigenlijk natuurlijk van de Beweging. Want de Spelen zijn niet meer dan het vierjaarlijks feestje van de Beweging. De Beweging reikt veel hoger, veel verder.

“Doel van de Olympische Beweging is om bij te dragen aan de opbouw van een vredige, betere wereld”, staat in het "Olympisch handvest', de grondwet van de Beweging. En: “Het Olympisme is een levensfilosofie die de kwaliteiten van lichaam, wil en geest in een uitgebalanceerd geheel verenigt en verheerlijkt. Door sport met cultuur en onderwijs te vermengen, probeert het Olympisme een manier van leven te creëren, gebaseerd op de vreugde van het presteren, de opvoedkundige waarde van het goede voorbeeld en respect voor fundamentele ethische principes.”

Maar wat heeft die Beweging nou eigenlijk te bieden behalve haar hooggestemde idealen? Ze is een kale bedelorde. Volledig afhankelijk van de goedertierenheid van internationale sportfederaties, van overheden, van media, van sponsors. Allemaal leden van "de olympische familie' die hij, als hogepriester van de orde, als Godfather van de Beweging, om zich heen verzameld heeft.

Wat maakt dat al die suikerooms en -tantes in de rij staan om hun gulle gaven te mogen plengen? Te mogen offeren op het altaar van een Beweging die niets anders heeft te bieden dan het recht op organisatie van een sportspektakel, weliswaar het oudste en grootste en meest exclusieve, maar toch eigenlijk niet veel meer dan een sportieve jamboree? Het is de macht van het symbool, de macht van de vijf ringen, die alleen nog door de kracht van kruis en halve maan wordt overtroffen. Vijf ringen die elke drager groter doen schijnen. Een handelsmerk zoals het IBM-embleem of Coca-Cola-logo, maar dan verhevener. Een waarmerk dat ieder produkt - een stad, een sport, een sponsor - een mythische meerwaarde schenkt.

Of hij dit kroonjuweel ontdekte temidden van de failliete inboedel van de Olympische Beweging, danwel Horst Dassler, de vijf jaar geleden overleden president-directeur van de Adidas-firma, valt niet meer vast te stellen. In elk geval was hij het die de stille reserves tot leven wist te wekken. Tot meerdere eer en glorie van de Beweging. In zijn woorden: “De belangrijkste sociale beweging van onze tijd.”

“Soms veranderen we een stad”“ zegt hij simpel. Terwijl een hand door de lucht zweeft, alsof hij zijn onzichtbare toverstaf zwaait. “Soms veranderen we een streek, zoals dit jaar nog de Savoie.” Weer zwaait zijn staf. “En soms veranderen we een land, zoals vier jaar geleden Zuid-Korea. Inclusief een politiek systeem.”

“Sommigen zeggen dat wij het ook zijn geweest die de ontspanning tussen Oost en West hebben bewerkstelligd. Mensen die het kunnen weten. Ze zeggen dat wij voor het uiteenvallen van het Oostblok hebben gezorgd. Prestaties die we natuurlijk zelf nooit op ons conto zullen schrijven. Maar de invloed van de Olympische Beweging kan moeilijk worden overschat.

“Ook al zeggen we natuurlijk zelf nooit: wij zijn machtig. Macht wordt je door anderen toegekend. Mensen vertrouwen ons en geven ons dat aura, die betekenis die we vandaag de dag hebben. Wij creëren niet die mythe. Dat doen andere mensen. De Spelen zijn het belangrijkste evenement, niet sportevenement maar sociale evenement, ter wereld. Niet omdat wij dat zeggen. Maar omdat de wereld dat vindt.

“In de toekomst zullen de mensen spreken over Barcelona vóór en na de Spelen. Zoals ze ook deden met Tokio in 1964. De Spelen hebben al bij voorbaat een andere stad gemaakt van Barcelona. En dankzij de Spelen zal het woord "Barcelona' de komende weken miljarden keren overal op de aarde worden uitgesproken. Een gouden kans voor Barcelona. De stad krijgt voor altijd een plaats op de wereldkaart.”

Ach nee, zijn positie is uiterst bescheiden. Er zijn mensen die hem zien als een staatshoofd of topondernemer. Maar hij is alleen maar de nederige dienaar van een grote Beweging. Jawel, president van die reusachtige Beweging. Maar zelf noemt hij zich liever “de coördinator”. Zijn taak is het om de eenheid te bewaren. Binnen het IOC, binnen de sport, in de wereld. “Om de meest optimale, meest vriendschappelijke relaties te onderhouden met andere organisaties. Zonder anderen zijn wij niets.”

En om het allemaal nog eens te kunnen nalezen, hoe de Olympische Beweging met de hulp van anderen tot volledige wasdom kon komen, geeft hij een boek mee dat "Van Moskou tot Lausanne' heet en dat toevallig zijn bewind beschrijft. Het is een gewichtig boek, een kostbaar boek, uitgegeven door het IOC in eigen beheer. De belangrijkste leden zingen daarin eenstemmig een loflied op hun grote leider. “Wat betreft toewijding aan de olympische zaak, kennis van problemen en mensen, en invloed op de geschiedenis heeft geen enkele olympische leider sinds Pierre de Coubertin zo'n scala aan talenten gedemonstreerd als de huidige IOC-president.”

En dan de foto's in het boekwerk. Hij met George Bush. Hij met Václav Havel. Hij met Fidel Castro. Hij met kolonel Gaddafi. Hij op de foto: 65 keer.

Hij is de man van de vele gezichten. Een stralenkrans van rimpels rondom zijn ogen. Van het knijpen. Als hij op zijn hoede is, vernauwen zich zijn ogen. Deze man is voortdurend op zijn hoede.

De stralenkrans wijst rechts omhoog. Naar de wenkbrauw die hij optrekt als hij het ergens niet mee eens is. Als ook zijn rechterschouder zich verheft. Zijn rechteroog staart dan nog glaziger.

Links kijkt zijn oog alsof het het armageddon heeft gezien. Links perst hij ook zijn lippen op elkaar. Als hij lacht, grijnst alleen zijn rechter mondhelft. Collega's in het IOC noemen hem hoffelijk en voorkomend en zachtaardig. Tegelijkertijd zeggen ze dat ze moeilijk hoogte van hem kunnen krijgen. Ze hebben geen idee wat er echt in hem omgaat. Behalve het heil van de Beweging, natuurlijk. Al zijn woorden, al zijn daden lijken daarvan afgeleid.

Als hij een uitspraak doet, kan hij die morgen al herroepen, of zelfs glashard ontkennen dat hij die ooit heeft verdedigd. En zelden spreekt hij iemand vierkant tegen. Zelden zegt hij rechtstreeks "nee'. Want confrontaties leiden maar tot weerstand. Hij houdt liever alle mogelijkheden open en iedereen te vriend.

Dat mag beginselloosheid lijken. Zijn tegenstanders noemen hem niet voor niets "een geslepen kameleon'. Maar zijn collega's in het IOC vinden die "diplomatie' juist zijn grootste verdienste. Onder een principieel president als Avery Brundage, halsstarrig verdediger van het amateurisme, was de Olympische Beweging allang ten onder gegaan.

De Olympische Beweging, zeggen ze, kan zich niet meer permitteren dogmatisch te zijn. Daarvoor heeft ze te maken met te veel verschillende partijen, met te veel tegengestelde belangen. Sportfederaties, tv-maatschappijen, politici en sponsors, allemaal willen ze aan hun trekken komen. En hij weet ze allemaal aan zich te binden. Door ze naar de mond te praten. Door ze te bedelven onder gulle gunsten. Zodat ze bij hem in het krijt staan en toch concessies moeten doen.

Hij is de spin in het web. Een schipperaar naast God. Hij is de ultieme evenwichtsartiest.

Vóór de Spelen in Seoul was er weer eens de dreiging van een boycot. Pyongyang zou wegblijven als de Spelen niet ook in Noord-Korea zouden worden gehouden. Het zou zijn bondgenoten oproepen hetzelfde te doen. Natuurlijk hoefde Zuid-Korea de organisatie van de Spelen niet te delen, liet hij Seoul onmiddellijk weten. Maar met evengrote stelligheid berichtte hij Pyongyang dat Noord-Korea vanzelfsprekend mocht meedoen. Alleen moest Noord-Korea voor de faciliteiten zorgen. En voor een vrije doorgang van personen. En voor voldoende onderkomens. En voor een elektronische infrastructuur. En zo kwamen er telkens weer eisen bij waaraan Pyongyang onmogelijk kon voldoen. Inwilliging zou het einde van het systeem en de economische instorting van het land hebben betekend. Noord-Korea had uiteindelijk geen andere keus dan zelf maar af te haken. Een boycot in toegefelijkheid gesmoord.

IOC-leden zeggen dat hij diezelfde truc nu ook weer uithaalt met Catalonië. Laat de Catalaanse vlag maar wapperen aan alle masten. Laat het Catalaans maar klinken in alle stadions. Verzet daartegen zou de Baskische afscheidingsbeweging ETA toch alleen maar in de kaart spelen en separatistische stromingen versterken. Maar straks tijdens de Spelen zal de Catalaanse invloed opeens toch niet zo groot meer blijken. En na de Spelen zal het nationalisme weer doven, of ondergronds gaan, zoals in het verleden altijd is gebeurd.

Tweeënzeventig jaar en een dag nu geleden is hij geboren in de stad waar straks ook de Spelen beginnen. In de tijd tussen de twee wereldtentoonstellingen die Eduardo Mendoza in zijn "Stad der wonderen' zo beeldend heeft beschreven. Toen Barcelona ook al taalde naar de eeuwigheid.

Als zoon uit een welgesteld geslacht van textielfabrikanten kostte het hem weinig moeite om tijdens de Spaanse burgeroorlog buiten het strijdgewoel te blijven, ook al had hij de goede leeftijd voor kanonnevlees. Hij was lid van de rechtse jeugdbeweging Frente de Juventudes en het kwam hem toch al slecht uit dat Catalonië de kant van de republikeinen had gekozen. Zijn onvrijwillig verblijf in het republikeinse leger heeft dan ook maar kort geduurd. Sommige bronnen zeggen dat hij gedeserteerd is, andere beweren dat hij door de tering werd geveld.

Die ziekte belette hem niet om, gekleed in zijden mantel, als "Kid Samaranch' de boksring in te gaan of om voor een partijtje rolhockey de wieltjes onder te binden. Maar hij merkte al snel dat hij meer talent had als sportbestuurder. Al in 1943, op 23-jarige leeftijd, had hij de leiding van de rolhockey-afdeling bij sportclub Espanol. Al in 1951 financierde hij het wereldkampioenschap rolhockey in Barcelona met geld uit zijn eigen bedrijf.

Zijn carrière in de politiek kwam pas later en veel moeizamer op gang. De geheime politie van de Falange vond hem politiek wel betrouwbaar, maar te losbandig. Pas bij een tweede poging, in 1954, drong hij eindelijk tot de gemeenteraad door.

Daarna raken zijn rollen als politicus en sportbestuurder zo nauw verweven, dat ze niet meer uit elkaar te houden zijn. Gebruikte hij de sport voor de politiek? Of diende hij de politiek voor de sport? Of maakte hem dat bitter weinig uit? Intussen vergrootte hij ook nog zijn zakenfortuin.

In 1956 werd hij lid van het Spaans Olympisch Comité, tien jaar later lid van het Internationaal Olympisch Comité, in 1974 vice-voorzitter van het IOC. Tegelijkertijd rees ook zijn politieke ster. In 1966 werd hij staatssecretaris voor sportzaken, een jaar later parlementslid, in 1973 voorzitter van de Catalaanse provincieraad.

Toen een menigte van honderdduizend demonstranten in 1976 zijn aftreden eiste, wist hij dat zijn politieke loopbaan voorbij was. Franco lag op sterven en in een democratie was geen plaats meer voor diens oude metgezellen. Er bleef hem weinig anders over dan de vlucht naar voren. Waarom zou hij zijn politieke functie niet nog één keer als opstapje voor zijn bestuurderscarrière gebruiken? Hij eiste een eervolle aftocht en de nieuwe bewindhebbers waren al lang blij dat ze een confrontatie konden vermijden. Hij kreeg waar hij om gevraagd had: het ambassadeurschap in de Sovjet-Unie.

Als ambassadeur in Moskou kon hij zich volledig wijden aan de Olympische Spelen die daar in 1980 zouden worden gehouden. Maar wat nog veel belangrijker was: hij kon in het Oostblok volop steun verwerven voor zijn verkiezingscampagne. Want hij moest, hij zou de volgende president worden van de Beweging. Volgens IOC-collega's had hij dat altijd al gewild.

Toen hij in 1980 werd uitverkoren als achtste president van het Internationaal Olympisch Comité, refereerde niemand aan zijn politieke verleden, ook niet in Spanje. Niemand vroeg zich af of een man die in een dictatuur was groot geworden wel de meest geschikte leider voor de Beweging was. Dat kwam pas later, veel later, eigenlijk pas in de loop van dit jaar toen de Britse journalisten Viv Simson en Andrew Jennings zijn "fascistische' achtergrond belichtten in hun boek "In de ban van de ringen'. "Onthulden' wat in Spanje altijd al bekend was geweest.

Hij zegt dat zijn verleden in een verkeerd daglicht wordt gesteld. Dat hij nooit, nee nooit iets heeft gedaan waarvoor hij zich alsnog zou moeten schamen. Dat hij trots is op de posities die hij onder Franco heeft bekleed. “Als iemand een oordeel mag vellen over mijn verleden, dan zouden het mijn landgenoten moeten zijn.”

Maar zijn landgenoten zwijgen. Nu hij erin is geslaagd om de Spelen naar Barcelona te halen, hebben ze alleen nog maar oog voor zijn verdiensten. Ook Jordi Pujol, president van de Catalaanse provincieraad, gemarteld in een gevangenis van Franco. Ook Pasqual Maragall, de socialistische burgemeester van Barcelona, wiens zuster door Franco gevangen werd gezet. En dat hij er pas voor uitkwam dat hij Catalaans sprak na de dood van Franco, de man die het Catalaans had verboden, ook dat hebben ze hem vergeven. Ik hield me alleen aan de regels, zegt hij zelf.

Maar hij weet wel wie er achter dat lasterlijke boek van die Britten zitten. Mensen die hem weg willen hebben. Mensen die het niet kunnen velen dat een Spanjaard leider van de Olympische Beweging is, en een Italiaan leider van de Internationale Amateur Atletiek Federatie, en een Braziliaan leider van de Internationale Voetbal Federatie. Het is een Noord-Zuid-conflict. Een komplot van Angelsaksen, van Noordeuropeanen.

Zijn ogen vernauwen zich weer. Hij zegt dat sommige van de IOC-leden misschien niet meer achter hem staan. Ach, hij weet het wel zeker, want hij weet precies hoe de verhoudingen liggen. Hem houden ze niet voor de gek. Maar op de steun van de meeste van de 94 leden kan hij nog altijd rekenen, dat weet hij net zo zeker. Zij zullen hem ook steunen als hij zich opnieuw voor vier jaar kandidaat stelt. Of hij doorgaat zal alleen hijzelf bepalen. En niemand anders. Zijn mandaat loopt begin 1993 af.

Wie durft er te bestrijden dat hij de Olympische Beweging tot rijkdom en aanzien gebracht heeft? Toen hij in 1980 aan het bewind kwam, stonden de Spelen voor een bankroet. Ze waren onbetaalbaar geworden en speelbal van de politiek. Ook hadden ze steeds meer concurrentie gekregen van andere mondiale sportevenementen waarbij beroepssporters in actie kwamen. De Spelen van Montreal waren door een Afrikaanse boycot getroffen en geëindigd in een miljardenverlies. De Spelen in Moskou waren gedevalueerd door een massale Westerse afwezigheid. En voor de Spelen van 1984 had alleen Los Angeles zich nog kandidaat durven stellen, wat de onderhandelingspositie van het Internationaal Olympisch Comité geen goed had gedaan.

Hij was het die de stuurloze Beweging weer richting gaf. Hij verkocht zijn textielbelangen, trok zich terug uit de diplomatieke dienst en wijdde zich volledig aan de Spelen. Daarmee werd hij de tweede fulltime president van het IOC, na Pierre de Coubertin. Anders dan zijn voorgangers Avery Brundage en Lord Killanin, die hadden gemeend de Beweging vanuit hun eigen land te kunnen leiden, koos hij ervoor als een echte crisismanager "boven de winkel te wonen'. Dus vlakbij het hoofdkwartier van het IOC in Lausanne.

Hij begon de Beweging ook onmiddellijk te transformeren tot een onderneming. De invloed van het ledencongres bracht hij terug tot die van een aandeelhoudersvergadering en uit een stel geestverwanten formeerde hij een raad van bestuur, die de dagelijkse leiding kreeg. Ook professionaliseerde hij het ondersteunend apparaat, dat onder zijn regime van 11 tot 66 mensen groeide.

Zijn eerste zorg was het de aantrekkelijkheid van het olympisch produkt te vergroten. Dat kon alleen door de professionele sporters te omarmen. Anders zouden de Spelen zichzelf maar uit de markt prijzen als een evenement van de tweederangs atleten. Weliswaar betekende dat een breuk met de traditie, verraad aan een van de belangrijkste uitgangspunten, maar die ommezwaai werd verkocht als aanpassing aan de tijdgeest, zelfs als een daad van rechtvaardigheid. “Vroeger moesten de amateurs uit het Westen het opnemen tegen de staatsamateurs uit het Oosten. Dat was een oneerlijk gevecht. Nu treden de beste sporters op gelijke voet tegen elkaar in het strijdperk.”

Professionele skiërs, basketballers, tennissers, allemaal zijn ze tegenwoordig welkom op de Spelen. En hij zou maar wat graag zien dat ook de beroepswielrenners over vier jaar in Atlanta aan de start verschijnen. Want hoe kun je de concurrentie van de machtige sportfederaties beter beteugelen dan door hen liefdevol in te lijven bij de olympische familie?

Om de uitstraling van de Spelen te vergroten was het natuurlijk ook nodig dat er een eind kwam aan de boycots. Dat lukte in 1984 nog niet en hij noemt de terugtrekking van het Sovjet-blok dan ook nog altijd “het zwartste moment” van zijn bewind. Maar in elk geval waren de Spelen van Los Angeles financieel en sportief een succes en een bewijs voor zijn stelling dat een boycot alleen maar als boemerang werkt. Sindsdien heeft het IOC de politieke ontwikkelingen ook nooit meer lijdzaam over zich heen laten gaan. Of het nou ging om spanning tussen Noord- en Zuid-Korea, om een Golfoorlog of apartheid in Zuid-Afrika, steeds wierp hij zich op als bemiddelaar en bruggenbouwer. Alsof hij de president van de sportieve Verenigde Naties was.

Hij was het ook die het olympisch imago met verve te gelde wist te maken en daarmee de Beweging een gezonde financiële grondslag gaf. Daarbij moest hij heel gewiekst te werk gaan, want de tv-rechten voor de Spelen berustten bij het nationale organisatiecomité van de Spelen en de rechten op het olympisch logo waren in handen van de nationale olympische comités. Maar hij wist die kostbare kleinoden aan zijn dierbare partners te ontfutselen, met de deskundige hulp van zijn zakenvrienden, van wie Horst Dassler, president-directeur van Adidas, de grote commerciële genius was. En hij verkocht de olympische ringen aan de hoogst biedende.

In 1960 hoefden de televisiemaatschappijen nog maar twee miljoen gulden voor uitzending van de Spelen te betalen. In 1976 was dat bedrag al opgelopen tot 70 miljoen gulden. Maar pas onder zijn leiding ontpopten de tv-rechten zich als goudmijn. In Barcelona leveren ze bijna 1,2 miljard gulden op.

En natuurlijk is de Beweging genegen tot tegenprestaties. Starttijden van evenementen worden aangepast aan de wensen van de televisie. Hetzelfde geldt voor de regels, bijvoorbeeld bij het handboogschieten. Voor een sport die niet tv-geniek is, bieden de moderne Spelen geen plaats.

Later wist hij ook andere financiers aan zich te binden. Als voormalige zakenman en ex-politicus kende hij maar al te goed de risico's van onvoorwaardelijke trouw aan één enkele partij. In Seoul legden multinationals als IBM en Philips in het kader van The Olympic Program voor het eerst in totaal 170 miljoen gulden op tafel om zich "partner' van de Beweging te mogen noemen en hun reclame-uitingen van de magische ringen te kunnen voorzien. In Barcelona kost hun dat voorrecht al 300 miljoen. En om de kas van de Beweging nog eens extra te spekken wil hij vóór Atlanta ook overal ter wereld olympische dukaten laten verkopen. Een olympische staat schreeuwt om een eigen munt.

“Ik denk dat de ervaringen die ik heb opgedaan in het bedrijfsleven, de politiek en de diplomatieke dienst me van bijzonder groot nut zijn als president van deze belangrijke organisatie. In de Olympische Beweging komen sport, politiek en bedrijfsleven samen. Zonder voldoende financiële ondersteuning begin je niets. Zonder oog te hebben voor de politiek graaf je je eigen graf. Want politiek is overal. Alles wat er in de wereld gebeurt, heeft onmiddellijk een effect op de Beweging.”

Hij is goed geweest voor de Beweging. En de Beweging is goed geweest voor hem. Ze heeft hem de Spelen in zijn geboortestad gegeven. Ze heeft hem een olympische filateliecommissie gegeven. Tenslotte spaart hij naast tekeningen van Dali en Picasso ook postzegels met sportmotief. En ze schenkt hem volgend jaar een Olympisch Museum. Kosten: 80 miljoen gulden. Monument voor een president waar behalve het beeldhouwwerk The American Athlete van Rodin ook zijn verzameling postzegels een ereplaats krijgt.

Gezeten in zijn klassieke fauteuil in het 18de eeuwse Château de Vidy in Lausanne, luisterend naar het geruis van het Meer van Genève waar het IOC zijn eigen aanlegsteiger heeft, starend naar de wanden die volledig door schilderijen overwoekerd zijn, zegt hij dat hij een gelukkig, ja een dankbaar mens is.

Zijn critici zeggen dat hij de olympische geest aan het kapitaal verkwanseld heeft. Maar zouden de Spelen zonder commercie nog bestaan, luidt zijn verweer. “Je moet voorkomen dat de commercie de sport straks regeert. Ik denk dat ons dat nog altijd is gelukt. We hebben onze zelfstandigheid steeds weten te bewaren.”

Zijn critici zeggen ook dat hij de Beweging naar Franco's Movimiento heeft gemodelleerd. Alsof het Internationaal Olympisch Comité ooit democratisch is geweest. Het systeem van coöptatie, waarbij IOC-leden voor het leven worden benoemd op voordracht van de president, mag dan misschien wat ouderwets aandoen. “Maar het is een uitvinding van De Coubertin en het werkt nog steeds. Ik zou niet weten wat daar fout aan is.”

Hij vergelijkt de Spelen graag met een toneelstuk. “Je bouwt een prachtig theater, en de repetities verlopen uitstekend, maar op een dag gaat een doek op, en dan kun je alleen nog maar hopen: zijn de spelers in vorm, zijn de toeschouwers tevreden?” Ook al had hij tevoren alle touwtjes nog in handen, de rol van de regisseur is dan uitgespeeld.