Oost-Europa moet ruimere baan krijgen op EG-markt; Hongarije en Polen zijn de dupe van Brussels protectionisme

The New Europe. Changing Economic Relations Between East and West Auteur: Susan Senior Nello. Londen, uitgeverij Harvester Wheatsheaf, 1991, xiv + 289 blz. prijs: ƒ 163,40 ISBN 0-7450-1050-4

Wie op zoek is naar een goed gedocumenteerd overzichtswerk over de economische betrekkingen tussen de Europese Gemeenschap en Oost-Europa, kan terecht bij Susan Senior Nello. The New Europe is zonder twijfel het beste recente boek op dit gebied. De auteur - werkzaam aan de Universiteit van Siena - presenteert een bondig historisch totaalbeeld van de betrekkingen tussen de EG en het Oosten, waarbij de nadruk ligt op de politieke en economische ontwikkelingen sinds 1988. Er is sinds die tijd zo veel veranderd dat een serieuze studie over dit onderwerp meer dan welkom was.

Het eerste deel van de studie geeft een overzicht van de economische betrekkingen tussen de EG en Oost-Europa tot het annus mirabilis, 1989. Ondanks de drastische wijzigingen daarna is deze kroniek waardevol, met name omdat het de aandacht vestigt op enkele constanten in de relaties tussen beide delen van Europa. Wat bijvoorbeeld zeker niet is veranderd, is de problematiek van de toegankelijkheid van de EG-markt voor Oosteuropese produkten. Brussel heeft door de jaren heen een indrukwekkend arsenaal van protectionistische mechanismen en instrumenten opgebouwd. Met name de handel in staal-, textiel- en landbouwprodukten is streng aan banden gelegd. Voorheen kon de EG haar beschermende maatregelen rechtvaardigen door te wijzen op de irrationele prijsstructuur van de socialistische plan-economieën. Maar nu Oost-Europa goeddeels op het kapitalistische pad is, zou er eigenlijk nauwelijks meer gevaar moeten zijn voor dumping.

Hoewel Brussel enkele concessies heeft gedaan, blijkt met name de staal- en landbouwsector maar moeilijk te overtuigen dat produkten uit Oost-Europa behoren te worden toegelaten. In de associatie-akkoorden van de EG met Hongarije, Polen en Tsjechoslowakije, heeft Brussel zijn protectionisme op landbouwgebied grotendeels gehandhaafd. Senior Nello presenteert een duidelijk overzicht van de econometrische modellen die aangeven in welke mate, en op welke terreinen de EG een protectionistisch beleid voert. Hieruit blijkt dat met name Hongarije en Polen de negatieve gevolgen daarvan ondervinden.

Senior Nello gaat uitgebreid in op de implicaties van de Duitse hereniging voor de ontwikkeling van de EG. Vóór 1989 werd de DDR al de "dertiende lidstaat' van de EG genoemd, vanwege haar bevoorrechte economische betrekkingen met de Bondsrepubliek. Toch blijkt de integratie van Oost-Duitsland veel moeilijker en prijziger te zijn dan van tevoren werd ingeschat. Vorig jaar bedroeg de netto transfer naar de nieuwe Länder 140 miljard DM, terwijl het bedrag dit jaar zal uitkomen op zo'n 180 miljard DM. De financiële consequenties van de Duitse eenwording voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid van Brussel zijn eveneens aanzienlijk: ongeveer 8 miljard ECU. Recente schattingen van de kosten van de eenwording zijn nog hoger. Voor landen als Polen en Hongarije - die nog zeker tot het jaar 2000 op een EG-lidmaatschap zullen moeten wachten - betekent de hereniging van Duitsland dat hun landbouwprodukten binnen de EG nog moeilijker te verkopen zijn; de goederen uit de voormalige DDR hebben nu immers voorrang.

Ook zal dat de uitbreiding van de EG met nieuwe leden als Zweden, Zwitserland en Oostenrijk voor de Oosteuropese landen hoogstwaarschijnlijk eveneens een negatief effect hebben. De toetreding van Griekenland (in 1981) bevorderde de handel tussen Griekenland en de andere EG-landen aanzienlijk, maar dat was fnuikend voor Oost-Europa. Binnen enkele jaren daalde de Griekse import en export uit het Oostblok met ongeveer de helft. Ook moesten de Oosteuropese landen een veer laten bij de toetreding van Spanje en Portugal tot de EG.

Hoewel ook Senior Nello aandringt op het openen van de EG-markt voor Oosteuropese produkten, wijst ze er terecht op dat de kwaliteit van deze produkten voorlopig nog zeer veel te wensen over zal laten. Bovendien hebben de Hongaren, Polen en Tsjechoslowaken nog heel wat te leren wat de marketing betreft, zodat de export-mogelijkheden op de EG-markt ook niet moeten worden overschat. Wanneer de EG zou aandringen op reciprociteit wat betreft de markttoegang, dan zouden de economieën van Polen, Hongarije en Tsjechoslowakije binnen afzienbare tijd worden overheerst door kapitaalkrachtige Westeuropese multinationals, terwijl de Oosteuropese bedrijven nauwelijks een reële kans krijgen op de geavanceerde EG-markt. De opening van de markten moet dus een asymmetrisch karakter hebben, waarbij de EG eerder en meer concessies zal moeten doen dan de hervormende landen in Oost-Europa.

In Nello's analyse van de nieuwe economische en politieke architectuur van Europa staat de vraag wat de mogelijkheden zijn voor een Oosteuropees lidmaatschap van de EG centraal. Hoewel The New Europe jammer genoeg geen duidelijke antwoorden geeft op dit soort cruciale vragen, biedt het boek wel een prima kader waarin de lezer zelf conclusies kan trekken. The New Europe is verder uitstekende literatuur voor diegenen die niet ingewijd zijn in de soms wat technische aspecten van de handel tussen West- en Oost-Europa. Het boek bevat voorts een breed scala aan statistisch materiaal dat de onderliggende economische structuur van de handel tussen West- en Oost-Europa duidelijk maakt.