Onrecht vaak belichaamd door mannen

Vier jaar geleden won Monique Knol in Seoul een gouden medaille. Daarna hebben ze haar vreselijk belazerd. Weer later werd ze de paria van het vrouwenpeloton omdat ze zich verzette tegen de gevestigde orde. Gesprek met een renster die haar mond niet meer houdt.

Ze respecteren haar klasse. Ze vrezen haar tong. Monique Knol gebruikt nu eenmaal niet alleen haar benen om haar boosheid kwijt te raken maar ook haar mond. Ze zegt wat haar dwarszit met de kracht van een kaakslag, zonder omwegen, zonder vergoelijkende woorden. En er is veel dat haar dwarszit in dat beknotte wereldje van volgzame vrouwenfietsers. “Soms voel ik me zo alleen. Dan denk ik: ben ik dan de enige die zijn mond durft open te doen?”

Ze heeft altijd precies geweten wat ze wilde en wat niet, al sinds ze klein was. Maar ze heeft er lang niet voor uit durven komen. Tenslotte was ze een meisje. “Ik heb vaak over me heen laten lopen en me opzij laten zetten. Terwijl ik voelde: zo ben ik niet. Dan kropte ik het op en zei ik helemaal niks meer. Want als ik dan mijn mond nog opendeed, dan explodeerde ik.

“Ik kan niet tegen oneerlijkheid. Zeker niet als het gaat om vrouwen. Dan werd ik vroeger zo ontzettend driftig. Dat was niet meer normaal.”

Het onrecht ligt overal op de loer en wordt vaak belichaamd door mannen. Ze weet nog goed dat ze bij haar vader in de zesde klas zat. Haar bloedeigen vader. Maar ze mocht niks. Hij zat steeds op haar te vitten. Ze had de hoofdrol in de musical willen hebben en daar was ze geknipt voor. Maar ze had helemaal geen rol gekregen, zelfs geen onbenullige bijrol. De mensen zouden kunnen denken dat het hoofd van de school zijn eigen dochter voortrok. Laaiend was ze geweest over zoveel onrechtvaardigheid.

Laaiend is ze nog steeds als ploegleider én partner Wim Kruis haar harder aanpakt dan haar ploeggenoten. Als hij zegt dat ze een klootzak is en klote heeft gereden, alleen maar omdat hij de vrouw die hem het meest na staat het zwaarst durft te treffen. Terwijl hij haar juist in bescherming zou moeten nemen, omdat ze misschien wel als enige geweldig heeft gereden. Tegenwoordig laat ze zich zo'n vernedering niet meer welgevallen. “Tegenwoordig ageer ik: wat denken jullie wel.” Dat is het grote verschil met vroeger: ze zwijgt niet meer.

Ze zegt dat de meiden in de nationale selectie nog altijd hun mond niet durven opendoen. Bang voor kritiek. Bang voor represailles. Vrouwen laten zich nog altijd kleinhouden in de mannenwereld van het fietsen.

Ze heeft geen begrip voor de onderdanigheid van haar seksegenoten. Ze praat er ook met walging over. Tegelijkertijd snapt ze het wel. Hoe vaak heeft ze niet zelf haar mond gehouden? Hoe vaak heeft ze niet zelf zich aangepast? “Omdat ik te gretig was. Omdat ik mijn kans om naar een WK te gaan niet in de waagschaal wilde stellen.”

Alle schroom opzij

Misschien vormden de Olympische Spelen van vier jaar geleden wel het keerpunt. Bij de start van de individuele wegwedstrijd voelde ze zich ontzettend sterk, heel zeker van zichzelf. Ze zette alle schroom opzij. Waarom zou ze zich tevredenstellen met een eervolle klassering? Alleen goud was goed genoeg.

Die dag in Seoul was ze oppermachtig. Ze zat bij elke ontsnappping. Ze reageerde op elke vluchter. “Ik was zo explosief.” Maar in het zicht van de finish, toen het peloton zich al opmaakte voor de massasprint, werd ze opeens door paniek overvallen. Terwijl de sprint toch haar specialiteit was. “O jeetje”, dacht ze. “Altijd win ik. Je zult zien dat ik het nu verknal.”

Maar het was alsof haar lichaam weigerde te luisteren naar die hersenspinsels. Het zag een gaatje, dook daarin en kwam op de kop. Eigenlijk veel te vroeg, want de weg was nog lang, maar ze kon niet meer terug. “Niemand kwam er meer over”, zegt ze nog altijd content.

Vanaf dat moment wist ze dat ze op zichzelf kon vertrouwen, zelfs als ze even twijfelde. Ze wist dat ze haar eigen weg moest gaan. Het duurde alleen nog even voordat ze daaraan ook conclusies verbond.

Eerst wachtte nog de glorie. De badkuip thuis vol bloemen. De rijtoer in de koets en zij maar zwaaien. “Alsof ik de koningin was.” De huldiging op het stadhuis waar het zwart zag van de mensen. “Allemaal voor mij.” Als ze dat opnieuw zou beleven, zou ze er meer van genieten. “Later heb ik pas beseft wat het geweest moet zijn.”

Daarna is ze zo verschrikkelijk belazerd. Door een man die haar commerciële belangen na de Spelen wel zou behartigen. Door een vent die wel een sponsor voor haar eigen vrouwenploeg zou zoeken. “Ik geloofde alles. Ik dacht: zo slecht kan toch niemand zijn. Maar iedereen probeert gebruik van je te maken. Je moet altijd op je hoede zijn.”

Sindsdien regelt ze alles zelf. Daar voelt ze zich wel bij. “Dan heb ik alles in de hand.”

Ze had het zichzelf zoveel makkelijker kunnen maken. Ze had nog jaren kunnen teren op haar olympische zege. Maar ze zag hoe het vrouwenfietsen verkommerde, omdat de internationale wielerfederatie de professionalisering blokkeerde. Dat maakte haar razend. Dat was waartegen ze in opstand kwam.

Ze hield zich fulltime met wielrennen bezig. Waarom kon ze daar haar brood niet mee verdienen? Omdat aan internationale wedstrijden alleen maar nationale selecties mochten meedoen, volgens de reglementen van de internationale wielerfederatie. Omdat sponsoring van andere vrouwenploegen dus nauwelijks interessant meer was.

Toch slaagde ze erin om in het winkelbedrijf Jamin een sponsor te vinden. Met haar internationale “ploeg van vriendinnen” bond ze in Nederland de strijd met de nationale selectie aan. Met succes, want de nationale selectie werd vorig jaar “finaal naar huis gereden”.

Tegelijkertijd vestigde ze voorgoed haar naam als lastpost, waar ze wel nooit meer van af zal komen. Omdat ze zich verzette tegen de gevestigde orde. “Omdat ik opkom voor mezelf.”

Verstoten door recalcitrantie

Die recalcitrantie kwam haar te staan op verstoting. Ook al was ze nog altijd een van de beste Nederlandse rensters, aan de Ronde van de EG en het WK op de weg mocht ze niet meedoen. Voor de WK-selectie voor de ploegentijdrit had ze zich eerst aan kwalificatieritten moeten onderwerpen. Vernederend had ze dat gevonden. Was ze bij die ploegentijdrit het jaar daarvoor niet wereldkampioen geworden? Had ze bondscoach Piet Hoekstra niet eerlijk gezegd dat ze rust nodig had?

Wat was ze kwaad geweest. Hoekstra is altijd bang dat vrouwen in hun eentje onvoldoende trainen. Daarom belegt hij altijd trainingskampen. Maar hij wist toch dat zij die dwang niet nodig heeft. Ze is verdomme geen kind meer. Ze is 28. En hij wist toch wat een hekel ze heeft aan trainingskampen. Waarom ze zich desalniettemin geconformeerd had? Om de zilveren medaille die ze vorig jaar in de ploegentijdrit van het WK toch weer had gewonnen? Ze kon zich om dat zelfverraad wel voor haar kop slaan. De verhoudingen waren danig vertroebeld geweest.

Ze was ook zo moe geweest aan het eind van vorig seizoen. Hoekstra had wel gelijk gehad dat ze te veel criteriums had gereden. Maar wat had ze anders kunnen doen? Het was het eerste jaar van haar eigen ploeg geweest en ze had zich buitensporig verantwoordelijk gevoeld. Alleen daarom had ze alle wedstrijden gereden die ze kon rijden. Te veel.

Een gesprek met Piet Hoekstra in oktober - de confrontatie van “twee koppige mensen” - had de lucht opeens geklaard. Hij had begrepen wat ze van plan was met het vrouwenfietsen. Hij had haar ook verteld wat ze moest doen om zich voor de Olympische Spelen te kwalificeren. Als gast van de nationale selectie zou ze zich in de Ronde van Epinal en de Tour de l'Aude moeten bewijzen. Dat was duidelijk, dat was eerlijk geweest.

Ze had er wel tegenop gezien om wekenlang te zijn veroordeeld tot de nationale selectie, met rensters die haar alleen maar kenden van de gruwelverhalen. De grootste misverstanden hadden ze al bij de eerste ontmoeting direct uit de weg geruimd. Daarna waren ze niet meteen allemaal vriendinnen geworden. Maar ze hadden haar wel gezegd: "Knol, wat rijd je toch hard'. Dat hadden ze vroeger nooit over hun lippen gekregen.

Zelf was ze ook wel tevreden geweest. Ze had drie etappes gewonnen, een puntentrui gepakt. En misschien wel het mooiste: terwijl Leontien van Moorsel in de Tour de l'Aude “in een wak zat” - wereldkampioene Van Moorsel, haar rivale en antipode - reed zij “als een speer”. Direct na afloop wist ze dan ook al zeker dat ze naar Barcelona zou gaan.

Andere rensters zeggen dat het olympisch parcours voor haar geschapen is. Heuvelachtig. Niet te steil. Het soort reliëf waarop ze niet te kloppen is. Maar je hoort haar niet zeggen dat ze wel weer een medaille zal winnen. Ze zou niet durven. Al hoopt ze daar wel stiekem op. “Maar misschien wordt het wel helemaal niks. Dan fietsen we gewoon weer verder.”

Hoewel misschien toch anders dan tevoren. Want voor het eerst bereidt zij zich voor op haar eigen manier. Dat betekent dat ze niet met die andere Nederlandse rensters meegaat op trainingsstage. Ze weigert zich nog langer aan te passen. Anderen moeten haar maar nemen zoals ze is. Haar grootste troefkaart: ze hebben haar nodig. “Want zonder Knol geen medaille. Het heeft jaren geduurd voordat ik dat durfde zeggen. Voordat ik zoveel zelfvertrouwen had.” Voor de mannen die haar toch nog willen onderwerpen heeft ze maar één suggestie: “Zak in elkaar met de hele zooi.”