Nog altijd staat de democratie op het spel

MOSKOU, 18 JULI. In een afgetakelde maar schitterende vijfkamerwoning langs de "tuinring' in Moskou zit een groep ex-dissidenten teksten te verzamelen voor het "proces van de eeuw'. Want het proces aller processen, dat dezer weken bij het Constitutionele Hof wordt gevoerd, moet gaan lijken op het Neurenbergse Tribunaal. Niet alleen de toekomst van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie is daar bij het hoogste hof aan de orde, nee, volgens alle partijen staat ook de toekomst van democratische Rusland er op het spel.

De computers in het appartement zoemen, het copieerapparaat hengelt naar papier en in de keuken wordt permanent door de pauzerenden gediscussieerd. Het wachten is alleen nog op een schriftelijke bijdrage van Richard Pipes, de Pools-Amerikaanse historicus die zijn hele leven heeft gewijd aan de Russische communistische partij en begin jaren tachtig als adviseur van president Reagan de tot nu toe niet beantwoorde vraag "how to manage the decline of the Soviet Union' stelde. Natalja, die de vertaling van zijn laatste monografie The Russian Revolution onlangs heeft voltooid en dit weekeinde ook de getuigenverklaring van Pipes in het Russisch omzet, komt er uiteindelijk mee aan. De professor zal niet zelf in levende lijve optreden als getuige-deskundige. Hij is een dag voor zijn geagendeerde verschijning weer naar huis vertrokken. Pipes wil zijn finest hour kennelijk niet tot het bittere einde beleven. Het spoorslagse vertrek van Pipes is één van de meer curieuze aspecten in het proces.

De zaak begon met een verzoekschrift van een groepje communistische parlementariërs. Volgens deze volksvertegenwoordigers waren de decreten waarmee president Boris Jeltsin de CPSU in augustus/november vorig jaar buiten de wet verklaarde en vervolgens haar bezit confisceerde, in strijd met de Russische grondwet.

De argumentatie van de communistische appelanten is duidelijk. De CPSU was een politieke partij die zich, toen dat wegens het democratiseringsproces nodig werd, zelfs als eerste heeft laten registreren en heeft zich als organisatie niet met de mislukte staatsgreep van vorig jaar augustus bemoeid. Secretaris-generaal Michail Gorbatsjov was immers de man die afgezet moest worden en diens plaatsvervanger Vladimir Ivasjko heeft ook niet met de partijgenoten/putschisten gecollaboreerd. Ze hebben daarmee inderdaad een punt. Zeker zolang de strafzaak tegen de leden en handlangers van de junta van KGB-chef Krjoetsjkov niet is afgerond - en dat kan nog heel lang duren - is het bewijs tegen de partij als geheel niet rond.

De verdediging van de representanten van Jeltsin is eveneens helder. De CPSU was helemaal geen gewone politieke partij maar een organisatie die zich op kosten van de burgerlijke overheid in stand hield, kortom een staatspartij met miljoenen slachtoffers op haar geweten. Tot op het laatst heeft ze nog harde valuta uit de algemene schatkist van de staat weten te roven. Tussen 1981 en 1991 wel 453 miljoen "harde roebels', hetgeen neerkomt om meer dan 1,25 miljard gulden. Bovendien was de CPSU helemaal niet bereid op zich neer te leggen bij het besluit van het Sovjet-parlement in 1990 om artikel 6 uit de grondwet te schrappen en de partij daarmee van haar geformaliseerde "voorhoederol' te ontdoen.

Het secretariaat van het Centraal Comité bleef geheime telegrammen rondstrooien waarin orders werden uitgedeeld aan instellingen waarover het niets te zeggen had. Zoals het evenmin toevallig was dat de KGB onmiddellijk na het roemloze einde van artikel 6 besloot om een speciale gewapende eenheden in het leven te roepen die de CPSU loyaal en ongecontroleerd zouden kunnen dienen.

Hoewel paradoxaal genoeg het in augustus vorig jaar precies deze groep-Alfa was die, met haar weigering om het door burgers afgeschermde "Witte Huis' van Jeltsin via een bestorming te overmeesteren de couppoging hopeloos deed mislukken, hebben ook zij een punt. De CPSU laat zich, door haar terroristische verleden en monopoliepositie, uiteraard niet simpelweg vergelijken met een partij die in een democratisch land al driekwart eeuw aan de macht deelneemt.

De vergelijking met het verbod van de Duitse KPD in 1956 is door procureurs van Jeltsin dan ook al getrokken. Maar daar zit nu precies de angel voor het Russische Constitutionele Hof. Want niet alleen deed het Bundesverfassungsgericht in Karlsruhe er drie jaar over voordat ze de KPD buiten de wet stelde, dit gerechtshof kon zich daarbij ook nog eens baseren op de nieuwe democratische grondwet die de Bondsrepubliek sinds 1948 had.

De hoogste rechters in Moskou moeten nu daarentegen tegen heug en meug een beslissing nemen, die ook nog eens geworteld moet zijn in een constitutie die de sporen draagt van de "socialistische Sovjet-republiek' die Rusland tot vorig jaar was. Een nieuwe grondwet is er immers nog altijd niet. Anders dan hun Duitse collega's indertijd kunnen de Russische opperrechters niet louter voortborduren op bestaande grondrechten maar moeten ze juist de contouren van een nog niet bestaande nieuwe grondwet scheppen. Met andere woorden: ze moeten, of ze nu willen of niet, een politieke uitspraak doen. Als de oekaze van Jeltsin wordt vernietigd, ligt een staatsgreep op de loer, heeft de jurist Sergej Sjachrai (een van de auteurs van het presidentiële decreet) al gezegd.

Voor juridische nuances is nu even geen plaats. Ook aan de keukentafel aan de "tuinring' niet. Als Senja, een van de aanwezigen, zich tijdens het koffiegesprek genoodzaakt ziet een geestverwant, die in zijn ogen Stalin en de partij door elkaar haspelt, te corrigeren omdat “Stalin immers wel wat meer was dan de CPSU”, wordt hij wel gehoord maar niet gevolgd. De inzet van de zaak is inmiddels zo hoog opgelopen, dat niets minder dan 75 jaar geschiedenis op de rol is komen te staan.