Na de medaille wacht de kruideniersmentaliteit

Een mini-enquête. Kent u Leo Peelen? Vijftig mensen gevraagd, op straat, op de tribune en per telefoon. “Leo Peelen? Wie is dat?” Hij is wielrenner, won bij de laatste Olympische Spelen een van de negen medailles van Nederland. Maar een olympisch succes levert hier, op een enkele uitzondering na, op lange termijn geen bekendheid, geen faam en al helemaal geen geld op.

Slechts een van de vijftig ondervraagden geeft een feilloos antwoord. Leo Peelen, wielrenner, zilveren medaille in Seoul op het onderdeel puntenkoers. Nóg twee herinneren zich zijn olympische succes, maar vragen zich af of het nou goud, zilver of brons was.

En een vierde komt met het kloeke antwoord dat het hier een wielrenner betreft, om er een zucht van verlichting op te laten volgen als die gok juist blijkt te zijn. Alle anderen doen een greep in de grabbelton van sporten. Judo, biljarten en vanzelfsprekend voetbal worden genoemd. Het merendeel moet echter een antwoord schuldig blijven. Probeert voorzichtig: “Zit hij soms in de Tweede Kamer?”

Leo Peelen is geen bekende Nederlander.

Hij is het de weken na zijn zilveren puntenkoers in Seoul wel even geweest. Zijn hoofd, met een opvallende blonde kuif, verscheen verscheidene malen op de televisie en in de kranten en thuis in Elden (nabij Arnhem) werd hij uiteraard feestelijk ontvangen door de plaatselijke bevolking. Op een kar door de straten en de burgemeester op bezoek. En Peelen kreeg een paar geschenken en een cadeaucheque van Philips. Hij schafte zich een camera aan.

Daarna was het uit met de pret. Peelen kreeg geen enkele aanbieding van een sponsor, opende zelfs niet één winkel. Hij werd er gewoonweg niet voor gevraagd. Drie weken na de Olympische Spelen werd Leo Peelen nog eens keihard geconfronteerd met de nationale waardering voor olympisch eremetaal. Hij moest in militaire dienst en soldaat Peelen kreeg geen voorkeursbehandeling, ook niet een heel klein beetje.

Mooier kon niet

Leo Peelen, 23 jaar pas, heeft er vier jaar later allemaal geen moeite mee. “Ik vind het ook niet raar dat de mensen me niet meer kennen. Er gebeurt zo veel in de sport.” Hij heeft een heel mooie tijd gehad in Seoul. Hij fietst nog wel, maar dan, aldus Peelen zelf, “een stukje onder de top”. Prof is hij niet geworden. “Dan moet je knettergek van wielrennen zijn en dat ben ik niet.” Hij is goed terechtgekomen. Hij zal ooit het constructie-metaalbedrijf van zijn vader overnemen.

Natuurlijk vindt Peelen het jammer dat hij financieel niets wijzer van zijn olympische succes is geworden. De zilveren plak ligt op de piano in zijn huiskamer. Iedereen die het wil kan 'm aanraken of oppakken. Het glanzende eremetaal herinnert Peelen elke dag aan een van de mooiste momenten uit zijn leven. En om die persoonlijke bevrediging is het de topsporter natuurlijk vooral te doen. Op meer moet hij of zij in Nederland niet rekenen.

Een lucratief vervolg aan een olympisch succes is gekoppeld aan de uitstraling van de sporter en vooral aan de tak van sport die hij of zij beoefent. Een atleet die zich in Barcelona zich in de prijzen loopt, springt of gooit, is verzekerd van riante startgelden bij de Grand-Prixwedstrijden. Een wielrenner kan prof worden. Een bokser ook. Regilio Tuur haalde geen medaille in Seoul, maar zijn mokerslag tegen de Amerikaan Kelcie Banks maakte hem in één keer beroemd. Hij is nu professional in de Verenigde Staten en heeft zelfs zijn eigen spijkerbroekenmerk.

Ook schaatser Bart Veldkamp dacht een voltreffer van het kaliber Tuur te hebben geproduceerd. De Hagenaar won op de laatste dag van de Olympische Winterspelen van dit jaar in Albertville de enige Nederlandse hoofdprijs. Mooier kon niet. Toch wordt de gouden Veldkamp zeker niet overstelpt met aanbiedingen. Hij heeft daar zijn teleurstelling al meerdere malen over geuit en praat bitter van “de Nederlandse kruideniersmentaliteit”. Zijn zaakwaarnemer Ron Mulder is minder somber. De directeur van Referee Sports Marketing Nederland kent het klappen van de zweep. Hij noemt Veldkamp ongeduldig. Hij verwacht dat in de komende winterperiode de interesse van het bedrijfsleven voor de Haagse topschaatser zeker zal toenemen. “En als Bart over twee jaar in Lillehammer weer olympisch succes heeft zal zijn commerciële waarde zeker verdrievoudigen.”

Wanhopig sportjaar

Mulder spreekt van een commercieel gezien “wanhopig sportjaar”. Met twee Olympische Spelen, een Europees kampioenschap voetbal, de Tour de France en Wimbledon volgt de ene prestatie vrijwel onmiddellijk op de andere. En de sportliefhebber die zo veel lekkers in één jaar krijgt opgediend vergeet snel. Veldkamp moet het wel van het commerciële vervolg hebben. Grote sommen prijzen- en startgeld zijn in zijn tak van sport niet te verdienen. Mulder: “Ik zeg vaak tegen Bart: ik kan er ook niets aan doen dat je voor schaatsen hebt gekozen en niet voor tennis, golf of voetbal.”

Volgens Frank van den Wall Bake van het sportmarketingbureau Trefpunt zijn er in Nederland afgezien van de voetballers voor de topsporters geen echt grote individuele sponsorcontracten te verdienen. “Zelfs Erik Breukink heeft ze niet of nauwelijks.” Mulder noemt het “typisch Nederlands” dat een bedrijf bang is zijn naam te binden aan een individuele sporter. “Er wordt gedacht dat een slechte prestatie van zo iemand meteen invloed heeft op de verkoopcijfers.”

Mulder begeleidde ook Yvonne van Gennip na haar goudjacht in Calgary vier jaar geleden. Achteraf is hij erg tevreden met het behaalde commerciële resultaat. “Yvonne miljonaire? Dat is onzin. Je moet hier vijf miljoen verdienen om er één over te houden.” Maar, weet Mulder, in combinatie met de pr-activiteiten die Van Gennip tegenwoordig verricht kan ze het financieel makkelijk tot haar pensioen redden. “Ze moet nog wel werken, ja. Dat is toch maar goed ook? Elke dag in de zon liggen gaat ook vervelen.”

Volgens Mulder is het probleem met iemand als Veldkamp dat hij niet in te veel reclamecampagnes tegelijk kan optreden. “Dat zie je bij een fotomodel toch ook. Als haar gezicht in een bepaalde campagne wordt gebruikt, zie je haar nergens anders. Dan rust er als het ware een vloek op haar”, aldus Mulder. “En het is daarbij ook niet te verkopen om bijvoorbeeld Van Gennip in de ene advertentie met een kuipje dieetmargarine van Sense in haar hand neer te zetten en in de andere advertentie met een Mars.” Mulder maakt duidelijk dat er altijd naar een bepaalde affiniteit tussen de hoofdpersoon en het produkt wordt gezocht. “Daphne Jongejans (schoonspringster, red.) en Vidal Sassoon (shampoo, red.) zijn een perfecte combinatie. Een mooie meid, mooi haar. Maar Anton Geesink en het een of andere wasmiddel zou ik een minder geslaagde combinatie vinden.”

Mulder vindt dat de Nederlandse sportmensen soms “lekker worden gemaakt” met verhalen over rijkelijk beloonde buitenlandse collega's die soms helemaal niet waar blijken te zijn. Hij weet zelf alles over de Amerikaanse turnster Kim Zmeskal. “Zij werd na het wereldkampioenschap overal als een miljonaire in de dop geannonceerd. Weet je hoeveel ze sindsdien precies heeft verdiend? Vijftienduizend dollar.”

Toch staat er bijvoorbeeld in Duitsland een prijs op het behalen van een olympische medaille. Bij het Nederlands Olympisch Comité voelt men ook wel voor zo'n honoreringssysteem. Een vast bedrag voor goud, één voor zilver en één voor brons. Hoeveel? “Als het aan mij ligt een heel hoge beloning”, zegt Van den Wall Bake van het "huisbureau' van het NOC.

7,5 miljoen aan sponsoring

Sponsoring heeft het NOC voor Albertville en Barcelona een bedrag van 7,5 miljoen gulden opgeleverd. Dat is bijna het dubbele van vier jaar terug. En volgens Van den Wall Bake zit er nog zeker rek in. Het geld is echter in eerste instantie bedoeld om de atleten in staat te stellen hun prestaties te leveren en niet om ze te belonen voor het eventuele succes. De vraag is wanneer sponsorgeld voor de honorering van medailles mag worden besteed. Van den Wall Bake denkt persoonlijk dat de grens bij tien miljoen gulden ligt. Daarboven kan aan beloningen worden gedacht.

“Maar laat één ding heel duidelijk zijn: het is niet de taak van het NOC mensen te belonen”, zegt voorzitter Wouter Huibregtsen. Hij spreekt ook van “een omstreden kwestie”. Desondanks vindt hij dat het NOC de mogelijkheid van het honoreren van prijswinnaars moet onderzoeken. Dat is een beetje noodgedwongen. Anders, verwacht Huibregtsen, zal straks misschien de een of andere onderneming geldprijzen voor behaalde medailles gaan uitloven. “En die krijgt dan wel erg goedkoop een hoop publiciteit en aandacht.”

Ook ex-judoka Anton Geesink, het Nederlandse lid van het Internationaal Olympisch Comité, heeft zo zijn bedenkingen. Hij zegt het toe te juichen dat succesvolle sporters via een financiële beloning maatschappelijk “iets kunnen opstarten”. “Maar aan de andere kant zit er een grote onredelijkheid in. De mensen die geen medailles winnen hebben jarenlang net zo hard getraind en die zouden dan niets krijgen.”